vrijdag 12 juli 2019

43. Wat ben je bleek

‘Eindelijk,’ riep Marguerite, terwijl ze me om de hals viel. ‘Daar ben je. Wat ben je bleek!’
Ik vertelde haar van de scène met mijn vader.
‘O hemel, ik was er al bang voor,’ zei ze. ‘Toen Joseph hier was om de komst van je vader te melden, werd het me koud om het hart. Mijn arme vriend, wat een verdriet bezorg ik je! Misschien is het beter dat je me verlaat en niet in conflict raakt met je vader. Maar ik heb hem toch niets gedaan? We leven hier stil, we gaan nog veel stiller leven. Hij moet snappen dat je een maîtresse hebt en hij zou blij moeten zijn dat ik dat ben, want ik houd van je en ik wil niet meer dan jouw positie toelaat. Heb je hem verteld hoe we onze toekomst willen inrichten?’
‘Ja, en daar werd hij bozer van dan van al het andere, want toen hij zag hoe vastbesloten ik was, begreep hij hoeveel we van elkaar houden.’
‘Wat moeten we doen?’
‘We blijven samen, lieveling, en we laten deze bui overdrijven.’
‘Zál hij overdrijven?’
‘Dat moet wel.’
‘Maar je vader zal het er niet bij laten.’
‘Wat kan hij doen?’
‘Dat weet ik niet. Alles wat een vader kan doen om te zorgen dat een zoon hem gehoorzaamt. Hij zal je herinneren aan mijn vroegere leven. Misschien vereert hij me zelfs met een paar verzonnen verhalen om te zorgen dat je me verlaat.’
‘Je weet dat ik van je houd.’
‘Ja, maar ik weet ook dat je vroeger of later moet buigen voor je vader. Uiteindelijk zal dat gebeuren.’
‘Nee Marguerite, ik zal hém overtuigen. Het zijn de fratsen van een paar van zijn vrienden die hem zo boos maken. Maar hij is een goed mens, rechtvaardig, hij zal zijn oordeel bijstellen. Maar hoe dan ook, wat kan het mij schelen!’
‘Zeg dat niet Armand. Ik zou niet willen dat er wordt gedacht dat ik er de oorzaak van ben dat jij een conflict hebt met je familie. Slaap er een nachtje over en ga morgen terug naar Parijs. Je vader zal er over hebben nagedacht, net als jij, en misschien begrijpen jullie elkaar dan beter. Respecteer zijn principes, laat hem denken dat je toegeeft. Wek de indruk dat je niet zoveel om mij geeft, en hij zal het er bij laten. Heb hoop, lieveling, van één ding kun je zeker zijn, en dat is dat je Marguerite wat er ook gebeurt, de jouwe zal zijn.’
‘Zweer je dat?’
‘Moet ik dat zweren?’
Wat laat je je graag overreden door de stem van iemand die van je houdt. De hele dag bleven Marguerite en ik doorpraten over onze plannen. Het was of we aanvoelden dat we ze sneller moesten realiseren. We verwachtten ieder ogenblik dat er iets zou gebeuren. Maar gelukkig deden zich die dag geen nieuwe ontwikkelingen voor.
De volgende dag vertrok ik om tien uur. Tegen de middag was ik bij het hotel van mijn vader.
Hij was al vertrokken. Ik ging naar mijn appartement, in de hoop dat hij misschien daar heen was gegaan. Nee dus. Ik ging naar mijn notaris. Niemand.

Ik ging terug naar het hotel en wachtte tot zes uur. Meneer Duval kwam niet terug.
Ik vertrok weer naar Bougival.
Marguerite stond niet op me te wachten, zoals gisteren. Ze zat in een hoekje bij het vuur dat in die tijd van het jaar al aan was. Ze was zo diep in gedachten dat ik naar haar toe kon lopen zonder dat ze het merkte. Toen ik mijn lippen op haar voorhoofd drukte, huiverde ze, alsof ze door die kus was wakker geschrokken.
‘Je maakte me bang,’ zei ze. ‘En je vader?’
‘Ik heb hem niet gezien. Ik weet niet wat dat heeft te betekenen. Hij was niet in het hotel en ook niet op een van de plekken waar je hem zou kunnen verwachten.’
‘Dan moet je morgen opnieuw beginnen.’
‘Ik wil liever afwachten wat hij van me wil. Ik heb, lijkt me, alles gedaan wat ik moest doen.’
‘Nee lieveling, je hebt nog niet genoeg gedaan. Je moet opnieuw naar hem toe gaan, morgen al.’
‘Waarom morgen al? Het kan toch op een andere dag?’
‘Omdat,’ Marguerite leek me even te blozen, ‘omdat je zo kunt laten zien hoe belangrijk je het vindt. Des te eerder zal hij je vergeven.’
De hele rest van de dag was Marguerite bezorgd en verstrooid en triestig. Ik moest alles twee keer tegen haar zeggen voor ik een antwoord kreeg. Ze schreef haar bezorgdheid toe aan de schrik die ze had gehad door de gebeurtenissen van de laatste twee dagen.
Ik was de hele nacht bezig haar gerust te stellen, en de volgende ochtend stuurde ze me weg met een ongerustheid waarvan ik eigenlijk niets begreep.
Mijn vader was er niet, net als de dag tevoren. Maar hij had bij zijn vertrek een brief voor me achtergelaten:

donderdag 11 juli 2019

42. 'Je bent gek, geloof ik'

‘Armand, alsjeblieft, open je ogen! Ik ben je vader. Ik houd van je en ik heb het beste met je voor. Denk je echt dat je ermee wegkomt als je als gehuwden gaat samenleven met een vrouw met wie iedereen naar bed is geweest?’
‘Maar dat is niet meer zo. En ze houdt van me, dat meisje, ze herwint haar zuiverheid door haar liefde voor mij en door de liefde die ik voel voor haar. Je zou het een bekering kunnen noemen.’
‘Geloof jij, jongen, dat het de taak is van een man van eer om een courtisane te bekeren? Geloof je dat zoiets bizars het doel van je leven kan zijn? Waar moet dat op uitdraaien? Wat zul je als je veertig bent zeggen van wat je nu denkt? Je zult er om lachen, als je tenminste niet zoveel schade hebt opgelopen dat je er niet meer om kunt lachen! Hoe zou het er op dit moment met jou voorstaan als je vader jouw soort ideeën had gehad, en zijn leven had opgeofferd aan zo'n hartstocht in plaats van het stevig te grondvesten in opvattingen van eer en trouw. Denk na, Armand, en stop met die onzin. Verlaat die vrouw, je vader smeekt het je.’
Ik antwoordde niet.
‘Alsjeblief Armand,’ ging mijn vader verder, ‘in naam van je moeder zaliger, stop met dit leven. Je zult het allemaal vlugger vergeten dan je denkt. Wat jij denkt klopt niet. Je bent vierentwintig, jongen, denk aan je toekomst. Je kunt niet van deze vrouw blijven houden, en zij ook niet van jou. Jullie overdrijven die liefde van jullie, allebei. Je zult je carrière mislopen. Nog één stap en je zult niet meer rechtsomkeert kunnen maken en je zult je leven lang berouw hebben van wat je deed in je jeugdjaren. Ga hier weg. Kom een paar maanden logeren bij je zus. De rust en de liefhebbende omgeving zullen je voor je het weet genezen van deze koorts, want een koorts is het!
Je maîtresse zal zich intussen wel troosten. Ze neemt een andere minnaar, en dan zie je voor wie je bijna de liefde van je vader had verspeeld. En je zult zeggen dat je blij bent dat ik hier ben gekomen voor je, je zult me zegenen.
Nou? Je doet het, he, Armand?’
Ik voelde dat wat mijn vader gezegd had opging voor alle vrouwen, maar ik was ervan overtuigd dat het niet opging voor Marguerite. Maar de toon waarop hij met me praatte was zo liefhebbend, zo smekend, dat ik hem niet durfde antwoorden.
‘Nou, nou?’ zei hij diep bewogen.
‘Nee vader, dat kan ik u niet beloven,’ bracht ik er eindelijk uit. ‘Wat u van me vraagt gaat mijn krachten te boven.
Echt,’ ging ik verder, toen ik zag dat hij een ongeduldige beweging maakte, ‘u maakt zich teveel zorgen. Marguerite is niet zoals u denkt. Onze liefde brengt me niet op het verkeerde pad. Integendeel, ze wekt in mij de meest hoogstaande gevoelens. Van echte liefde wordt een mens altijd beter, wie de vrouw ook is door wie die liefde is geïnspireerd. Als u Marguerite kende, zou u inzien dat ik in goede handen ben. Ze is een hoogstaande vrouw, een hoogstaander iemand ken ik niet. Zo hebzuchtig als andere vrouwen zijn, zo onzelfzuchtig is zij.’
‘Wat haar er niet van weerhoudt jouw fortuin van je aan te nemen, want de zestigduizend franc die je hebt geërfd van je moeder en die je haar geeft, vergeet dat niet, dat is de enige rijkdom waarover je beschikt.’
Dit was waarschijnlijk het argument - en het dreigement - dat mijn vader voor het laatst had bewaard. Maar ik was beter opgewassen tegen zijn dreigementen dan tegen zijn smeekbeden.
‘Waar hebt u dat vandaan, dat ik dat bedrag aan haar zou afstaan?’ zei ik.
‘Mijn notaris heeft het me verteld. Wat dacht je, dat een rechtschapen man mij bij zo’n aangelegenheid niet op de hoogte zou stellen? Ik ben naar Parijs gekomen om te voorkomen dat je je ruïneert voor een meisje van plezier. Je moeder heeft je bij haar dood geld nagelaten om je in staat te stellen een fatsoenlijk leven te leiden, niet om het weg te geven aan je maîtresses.’
‘Ik zweer u vader, Marguerite weet er nog niets van.’
‘Maar waarom heb je het gedaan?’
‘Omdat Marguerite, die vrouw die u belastert en die ik van u moet verlaten, alles wat ze bezat heeft opgeofferd voor een leven met mij.’
‘En dat offer aanvaard jij? Wat voor iemand ben jij dan, mijn zoon, dat je een of andere mevrouw Marguerite toestaat iets voor jou op te offeren? Nou is het echt genoeg. Je verlaat die vrouw. Nu. Ik gebied het je. Ik wil niet van die vuiligheid in mijn familie. Pak je koffers en maak je klaar om mee te gaan.’
‘Het spijt me, vader,’ zei ik, ‘maar dat doe ik niet.’
‘Want?’
‘Ik ben een volwassen man, ik hoef uw orders niet op te volgen.’
Mijn vader verbleekte.
‘Goed meneer,’ zei hij. ‘Dan weet ik wat me te doen staat.’
Hij belde.
Joseph verscheen.
‘Laat mijn koffers naar het hotel de Paris brengen,’ zei mijn vader. En hij ging naar zijn kamer om zich aan te kleden.
Toen hij weer tevoorschijn kwam, liep ik voor hem uit.
‘Beloof me, vader,’ zei ik, ‘dat u Marguerite geen kwaad zult doen.’
Mijn vader bleef staan, hij keek me aan vol minachting en zei alleen:
‘Je bent gek, geloof ik.’
Daarna vertrok hij. Hij sloeg de deur met kracht achter zich dicht.
Ook ik vertrok. Ik nam een huurrijtuig en liet me naar Bougival rijden.
Marguerite stond aan het raam op me te wachten.


[Verder lezen]

woensdag 10 juli 2019

41. Ernstige zaken

Mijn vader zat, in kamerjas, in mijn huiskamer te schrijven.
Door de manier waarop hij me aankeek toen ik binnenkwam snapte ik onmiddellijk dat er harde noten gekraakt zouden worden.
Toch omhelsde ik hem of ik niets in de gaten had:
‘Wanneer bent u aangekomen, vader?’
‘Gisteravond.’
‘En u bent gelijk naar mij toegekomen?’
‘Ja.’
‘Jammer dat ik er niet was.’
Ik verwachtte daarna de preek die het boze gezicht van mijn vader leek aan te kondigen. Maar hij zei niets, hij stopte de brief die hij had geschreven in een envelop en gaf die aan Joseph om op de post te doen.
Toen we alleen waren, stond mijn vader op, hij leunde tegen de schoorsteenmantel en zei: ‘We hebben, beste Armand, ernstige zaken te bespreken.’
‘Ik luister, vader.’
‘Zul je eerlijk tegen me zijn?’
‘Dat ben ik altijd.’
‘Klopt het dat je samenleeft met een vrouw die Marguerite Gautier heet?’
‘Ja.’
‘Weet je wat voor vrouw dat is?’
‘Een meisje van plezier.’
‘Is het om haar dat je ons dit jaar niet hebt opgezocht, je zuster en mij?’
‘Ja, vader, dat is zo.’
‘Je houdt dus erg veel van haar, van die vrouw?’
‘Dat is wel duidelijk, vader, want ze is er de oorzaak van dat ik ernstig ben tekort geschoten in mijn plicht tegenover jullie. Vergeef me dat alstublieft.’
Mijn vader verwachtte kennelijk niet dat ik zo onomwonden zou antwoorden, want hij dacht even na. Daarna zei hij:
‘Je hebt kennelijk begrepen dat je niet zo kunt blijven leven?’
‘Ik was er bang voor, vader, maar het leek me niet zeker.’
‘Maar je moet hebben begrepen dat ik er niet mee akkoord zou gaan,’ ging mijn vader op een wat scherpere toon verder.
‘Ik dacht, als ik niets doe dat ingaat tegen het respect dat ik u verschuldigd ben en als ik de goede naam van de familie niet op het spel zet, dan kan ik leven zoals ik dat doe. Daar heb ik me mee getroost.’
Hartstocht is sterker dan familiegevoel. Ik was bereid tegen iedereen te vechten, zelfs tegen mijn vader, om Marguerite niet kwijt te raken.
‘Maar het moment is daar om je leven te veranderen.’
‘Waarom zou ik, vader?’
‘Je bent bezig dingen te doen die afbreuk doen aan het respect dat je aan je familie schuldig bent.’
‘Dat snap ik niet.’
‘Ik zal het je laten snappen. Dat je een maîtresse hebt, prima. Dat je haar betaalt, zoals een fatsoenlijke kerel dat hoort te doen met een meisje van plezier, dat is zelfs uitstekend. Maar dat je je verwantschapsbanden voor haar hebt verwaarloosd, dat je zo ver bent gegaan dat de geruchten over je schandalige gedrag zullen doordringen tot onze woonplaats, dat er een vlek komt op de naam van onze familie, dat kan niet en dat mag niet.’
‘De inlichtingen die u over mij hebt gekregen kloppen niet vader. Ja, ik ben de minnaar van mevrouw Gautier, ik leef met haar samen, dat is gewoon waar. Maar een vlek op de naam van onze familie, dat is onzin. Ik trouw niet met haar. Ik geef niet meer aan haar uit dan ik me kan permitteren, ik heb geen schulden. Er is niets wat u het recht geeft zulke dingen tegen mij te zeggen.’
‘Een vader heeft altijd het recht te doen wat nodig is om te zorgen dat zijn zoon op het rechte pad blijft. Je hebt misschien niets verkeerds gedaan, maar dat komt nog wel.’
‘Vader!’
‘Jongeman, ik ken het leven beter dan jij. Alleen vrouwen die echt kuis zijn, hebben niets dan zuivere gevoelens. Iedere Manon kan een man tot een Des Grieux maken. Maar de tijden en zeden zijn veranderd: de wereld is ouder en wijzer geworden.[1] Je moet die maîtresse van je opgeven.
‘Ik zou u graag gehoorzamen, vader, maar dat is onmogelijk.’
‘Dan zal ik je dwingen.’
‘Courtisanes worden tegenwoordig niet meer naar het Île Sainte-Marguerite gestuurd, vader.[2] En als dat nog wel gebeurde, en u speelde het klaar haar daarheen te laten verbannen, dan zou ik mevrouw Gautier erheen volgen. Wat dacht u? Het is misschien verkeerd van me, maar ik kan niet gelukkig worden als ik niet de minnaar blijf van deze vrouw.’


[Verder lezen]



[1] Grappig dat meneer Duval zich bedient van dezelfde argumenten die de verteller eerder heeft gebruikt. En dat hij, net als zijn zoon, maar met een andere strekking Manon Lescaut als voorbeeld gebruikt.

[2] Eiland ten zuiden van Cannes. Ooit een gevangeniseiland, waar onder anderen ‘de man met het ijzeren masker’ gevangen werd gehouden.

dinsdag 9 juli 2019

40. Gek van vreugde

Ze was gek van vreugde. Ze danste, ze zong, ze schepte op over hoe bescheiden haar nieuwe appartement zou zijn. Ze vroeg mijn mening over de plek waar ze zou huren, over de inrichting.
Ik zag hoe gelukkig ze was over dit besluit, en hoe het leek of dat ons definitief bij elkaar bracht. En ik wilde dan ook niet bij haar achter blijven. In een flits maakte ik de balans op van mijn fortuin en besloot ik Marguerite mijn moederlijk erfdeel te schenken, en dat leek me eigenlijk nog niet eens genoeg als compensatie voor het offer dat ik van haar aanvaardde. Wat ik overhield was het pensioen van vijf mille dat mijn vader voor me had vastgezet. Wat er ook gebeurde, van dat geld zou ik altijd kunnen leven.
Ik zei niet aan Marguerite wat ik had gedaan, want ik was er zeker van dat ze mijn schenking zou weigeren.
Mijn moederlijk erfdeel was de rente op een hypotheek van zestigduizend franc op een huis dat ik zelfs nog nooit gezien had. Alles wat ik wist, was dat de notaris van mijn vader, een oude familievriend, ieder kwartaal zevenhonderdvijftig franc aan me overmaakte.
De dag dat Marguerite en ik in Parijs aankwamen om appartementen te bezichtigen, ging ik naar de notaris en ik vroeg hem hoe ik het moest aanpakken om de rente op naam te zetten van iemand anders. De goede man meende dat ik me geruïneerd had en stelde me een serie vragen. Omdat ik toch vroeger of later moest opbiechten voor wie ik dit deed, besloot ik hem alles te vertellen. Als notaris en als familievriend had hij daar het nodige over kunnen zeggen, maar dat deed hij niet. Hij verzekerde me dat hij alles zou regelen.
Ik vroeg hem om het stilzwijgen te bewaren jegens mijn vader, en ik ging terug naar Marguerite, die op me wachtte bij Julie Duprat: ze had er de voorkeur aan gegeven daarheen te gaan, liever dan de preken van Prudence te moeten aanhoren.
We gingen appartementen bezichtigen. Alles wat we zagen was te duur naar de smaak van Marguerite, en te eenvoudig naar die van mij. Toch werden we het uiteindelijk eens, en we legden in een van de rustigste wijken van Parijs de hand op een klein vrijstaand huis, dat helemaal apart stond van het huis waar het bij hoorde. Het huis had een aardige achtertuin met een muur die zo hoog was dat we geen last hadden van de buren, maar niet zo hoog dat er geen uitzicht was. Het was meer dan we hadden durven hopen.
Ik ging naar huis, om de huur van mijn appartement op te zeggen, Marguerite ging op bezoek bij een zaakgelastigde die, naar ze zei, al voor een vriendin had gedaan wat ze wilde dat hij nu voor haar deed. Ze arriveerde dolblij in de rue de Provence. De man had haar beloofd al haar schulden te betalen en haar daar een kwitantie voor te geven. Bovendien zou hij haar nog ongeveer twintigduizend franc geven voor haar hele inboedel. Je hebt gezien hoeveel de veiling heeft opgebracht. Deze betrouwbare figuur heeft aan zijn cliënte dertigduizend franc verdiend.
We gingen helemaal in de wolken terug naar Bougival en raakten niet uitgepraat over onze plannen. We waren zo zorgeloos, zo verliefd dat onze toekomst helemaal rozengeur leek en maneschijn.
Een week later zaten we te lunchen toen Nanine kwam zeggen dat mijn bediende naar me vroeg.
Hij mocht binnenkomen.
‘Meneer,’ zei hij, ‘uw vader is in Parijs en wacht op u in uw appartement. Hij vraagt of u zo spoedig mogelijk wilt komen.’
Het was niets bijzonders natuurlijk, maar toch, toen we het hoorden keken Marguerite en ik elkaar aan. We zagen de problemen al aankomen. Ik pakte dan ook, zonder dat ze iets gezegd had, haar hand en zei:
‘Wees niet bang.’
Marguerite omhelsde me en fluisterde: ‘Kom zo vlug mogelijk terug.’
Ik stuurde Joseph vooruit, om te zeggen dat ik er aan kwam.
Twee uur later was ik op de rue de Provence.


[Verder lezen]

maandag 8 juli 2019

39. 'Ik doe alles wat je wilt'

In de eerste drie brieven uitte mijn vader zijn ongerustheid over mijn stilzwijgen en vroeg hij naar de reden. Uit de laatste bleek dat men hem had geïnformeerd over wat er was gebeurd. Hij kondigde zijn komst aan.
Ik heb altijd veel respect voor mijn vader gehad, en ik was erg op hem gesteld. Ik antwoordde hem dus dat ik een poosje op reis was geweest, dat was de oorzaak van mijn stilzwijgen. En ik vroeg hem wanneer hij wilde komen, zodat ik daar rekening mee kon houden.
Ik gaf mijn bediende mijn adres in Bougival en vroeg hem om zodra er een brief werd bezorgd uit C... die naar me toe te brengen. Daarna ging ik onmiddellijk terug.
Marguerite wachtte op me bij het tuinhek. Je kon zien dat ze ongerust was, ze vloog me om de hals. Ze kon zich niet inhouden:
‘Heb je Prudence gezien?’ vroeg ze.
‘Nee.’
‘Je bent een hele tijd in Parijs geweest.’
'Er waren brieven van mijn vader, die ik moest beantwoorden.’
Even later kwam Nanine binnen, helemaal buiten adem. Marguerite stond op en praatte even zachtjes met haar. Toen Nanine weg was ging Marguerite naast me zitten en pakte mijn hand.
‘Waarom heb je gelogen? Je bent wel bij Prudence geweest.’
‘Wie zegt dat?’
‘Nanine.’
‘Hoe weet zij dat?’
‘Ze is je gevolgd.’
‘Je hebt haar dus gevraagd me te volgen?’
‘Ja. Ik dacht dat er een belangrijke reden moest zijn waarom je zo halsoverkop vertrok naar Parijs, terwijl je me vier maanden niet alleen had gelaten. Ik was bang dat je iets was overkomen. Of misschien dat je een andere vrouw ging opzoeken.’
‘Groot kind!’
‘Ik ben nu gerustgesteld, ik weet wat je hebt gedaan, maar ik weet nog niet wat je te horen hebt gekregen.’
Ik liet Marguerite de brieven van mijn vader zien.
‘Dat vroeg ik je niet. Wat ik wilde weten, was waarom je naar Prudence ging.’
‘Gewoon, een visite.’
‘Je liegt, lieveling.’
‘Nou goed dan. Ik ben gaan vragen of het al beter ging met het paard, en of ze je sjaal nog nodig had, en je juwelen.’ Marguerite bloosde maar ze antwoordde niet. ‘En ik hoorde,’ ging ik verder, ‘wat je gedaan had met je paarden, je sjaals en je juwelen.’
‘Ben je boos?’
‘Ik ben boos dat je me niet gevraagd hebt je te geven wat je nodig hebt.’
‘Bij een liefdesverhouding als die van ons moet de vrouw als ze nog enig zelfrespect heeft alles doen wat mogelijk is voordat ze haar minnaar om geld vraagt en zo een veile kant geeft aan haar liefde. Je houdt van me, dat weet ik echt wel, maar je weet niet hoe dun het lijntje is waarmee in het hart van een minnaar de liefde voor een meisje als ik verankerd is. Wie weet, op een dag schaam je je, of je bent boos op me, en je ziet in onze verhouding alleen nog maar berekening! Prudence is een kletskous. Wat moest ik met die paarden? Ik heb ze verkocht, gewoon, omdat ik zuinig ben, ik kan prima zonder, en ik heb er geen kosten meer aan. Als jij maar van me houdt, dat is alles wat ik wil. En je houdt net zoveel van me zonder paarden zonder sjaals en zonder diamanten...’
En dat allemaal op een zo natuurlijke toon dat de tranen me in de ogen sprongen.
‘Maar Marguerite, lieveling,’ zei ik, en ik drukte vol liefde de handen van mijn maîtresse, ‘je snapte toch wel dat ik er op een dag achter zou komen en dat ik het van die dag af aan niet meer zou willen.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat, lief kind, ik het niet verdraag dat jouw gevoelens voor mij je ook maar één sieraad kosten. En ik wil ook niet dat je, op een dag dat je je schaamt, of dat je boos op me bent, denkt dat je die gevoelens niet zou hebben als je minnaar iemand anders was, en dat je er spijt van zou hebben, al is het maar één minuut, dat je met mij bent. Over een paar dagen heb je je paarden, je diamanten en je sjaals terug. Je hebt ze net zo nodig als lucht om te ademen, en het is misschien belachelijk, maar mét je opschik houd ik nog meer van je dan zonder.’
‘Dus nu houd je niet meer van me?’
‘Hoe kom je erbij!’
‘Als je van me hield, dan zou je me toestaan van je te houden zoals ik dat zelf wil. Maar het is anders. Je ziet nog steeds in mij het meisje van plezier dat niet zonder haar luxe kan. Je denkt nog altijd dat je voor me moet betalen. Je schaamt je voor de bewijzen van mijn liefde voor jou. Diep in je hart denk je nog steeds dat je me op een dag verlaat, en je wilt niet dat er dan twijfel mogelijk is aan de zuiverheid van je gevoelens. Het is logisch, mijn vriend, maar ik had op meer gehoopt.’
Marguerite wilde opstaan, maar ik hield haar tegen.
‘Ik wil dat je gelukkig bent. Dat je me niets te verwijten hebt. Dat is alles.’
‘En we gaan uit elkaar.’
‘Waarom zouden we, Marguerite, wie kan ons scheiden?’ riep ik uit.
‘Jij gaat ons scheiden, omdat je niet wilt dat ik jouw situatie begrijp. Omdat je zo ijdel bent dat je wilt dat ik geen gezichtsverlies lijd. Omdat je, door dat te willen, tussen ons de morele distantie in stand houdt. En tenslotte omdat je niet gelooft dat mijn liefde onzelfzuchtig genoeg is om je inkomen met mij te delen, zodat we samen een gelukkig leven kunnen leiden. Je wilt je liever ruïneren, want je bent de slaaf van een belachelijk vooroordeel. Denk je echt dat een rijtuig en sieraden opwegen tegen jouw liefde voor mij? Geloof je dat mijn geluk afhankelijk is van allerlei nonsens die goed is voor als je niet van iemand houdt, maar die alleen maar kleingeestig is als je liefhebt! Stel, je betaalt mijn schulden, je smijt met je geld, en prachtig, je slaagt erin me te onderhouden. Hoe lang denk je dat dat zal duren? Twee of drie maanden. En dan is het te laat om nog te gaan leven zoals ik je voorstel, want dan zou je doen wat ik wil en dat is precies wat een fatsoenlijke kerel niet kan doen.
Nu heb je een inkomen van acht- of tienduizend franc. Daar kunnen we van leven. Ik verkoop de rest van wat ik heb, en met die verkoop alleen kan ik me een inkomen verschaffen van tweeduizend franc per jaar. We huren een leuk klein appartement voor ons samen. ’s Zomers zijn we op het land, niet in zo’n huis als dit, maar in een zomerhuisje voor twee personen. Jij bent onafhankelijk, ik ben vrij, we zijn jong, in godsnaam, Armand, dwing me niet terug te vallen in mijn oude leventje.’
Ik kon niet antwoorden. Tranen van dankbaarheid en van liefde stroomden me over de wangen en ik wierp me in Marguerites armen.
‘Ik wilde alles regelen,’ zei ze, ‘zonder dat jij er van wist. Ik wilde mijn schulden betalen en een ander appartement huren. In oktober zouden we zijn teruggekeerd in Parijs, en dan zou ik je alles hebben verteld. Maar Prudence is me voor geweest. Ik wilde je voor een voldongen feit stellen, maar het komt zo uit dat je nu al moet instemmen. Houd je genoeg van me om dat te doen?’
Wat moest ik bij zoveel liefde? Ik kuste vol hartstocht Marguerites handen en ik zei: ‘Ik doe alles wat je wilt.’
En zo werd wat zij al had besloten ook tussen ons afgesproken.



[Verder lezen]

zondag 7 juli 2019

38. Mysterieuze buien van melancholie

Op een dag bleef Marguerite op haar kamer.
Ik ging naar binnen. Ze zat te schrijven.

‘Aan wie schrijf je?’ vroeg ik.
‘Aan Prudence. Moet ik het je voorlezen?’
Ik gruwde van alles wat zweemde naar achterdocht, dus ik antwoordde dat ik niet hoefde te weten wat ze schreef, maar ondertussen wist ik eigenlijk wel zeker dat ik uit die brief te weten zou kunnen komen wat de echte oorzaak was van haar buien van triestheid.
De volgende ochtend was het prachtig weer. Marguerite stelde me voor om een boottochtje te maken naar het eiland van Croissy. Ze leek heel opgewekt en we bleven weg tot vijf uur.
‘Mevrouw Duvernoy is geweest,’ zei Nanine toen we thuiskwamen.
‘Is ze weer weggegaan?’ vroeg Marguerite.
‘Ja, in mevrouws rijtuig. Ze zei dat dat was afgesproken.’
‘Heel goed,’ zei Marguerite levendig. ‘Kunnen we aan tafel?’
Twee dagen later kwam er een brief van Prudence en twee weken lang leek het of Marguerite had gebroken met haar mysterieuze buien van melancholie - waarover ze zich evenwel bleef excuseren.
Maar het rijtuig kwam niet terug.
‘Waarom stuurt Prudence je het rijtuig maar niet terug?’ vroeg ik op een dag.
‘Een van de paarden is ziek, en het moet gerepareerd worden. Dat kan beter gedaan worden nu we nog hier zijn, waar we geen rijtuig nodig hebben, dan wanneer we weer in Parijs zijn.’
Een paar dagen kwam Prudence ons opzoeken, en zij bevestigde wat Marguerite gezegd had.
De twee vrouwen wandelden samen in de tuin, maar toen ik me bij hen voegde veranderden ze het onderwerp van gesprek.
Die avond, toen ze wegging, klaagde Prudence over de kou en vroeg Marguerite haar een sjaal te lenen.
Zo ging er een maand voorbij. Marguerite was vrolijker en liefhebbender dan ooit. Maar het rijtuig kwam niet terug, de sjaal werd niet teruggestuurd, en dat alles hield me toch bezig. Ik wist in welke la Marguerite de brieven van Prudence bewaarde, en ik profiteerde van een moment dat ze achter in de tuin was om te proberen die la open te maken. Maar dat lukte niet, ze had hem te goed afgesloten.
Toen keek ik in de laden waarin zich de sieraden en de diamanten bevonden. Die gingen moeiteloos open maar de cassettes waren weg, en met hen natuurlijk ook hun inhoud.
Mijn hart kromp ineen.
Ik vroeg Marguerite wat er aan de hand was met die verdwijningen, maar denk maar niet dat ze er iets over wilde zeggen.
‘Marguerite, lieveling,’ zei ik later, ‘sta me alsjeblieft toe naar Parijs te gaan. Ze weten bij mij thuis niet waar ik ben, en er moeten brieven zijn van mijn vader. Hij is vast en zeker ongerust, en ik moet iets laten weten...’
‘Ga maar lieveling,’ zei ze. ‘Maar kom vlug terug.’
Ik vertrok, en ging onmiddellijk naar Prudence.
‘Oké,’ zei ik zonder omhaal, ‘zeg me maar, waar zijn Margerites paarden?’
‘Verkocht.’
‘En de sjaal?’
‘Verkocht.’
‘De diamanten?’
‘Beleend.’
‘En wie heeft dat allemaal gedaan?’
‘Ik.’
‘Waarom heb je me niet gewaarschuwd?’
‘Dat mocht ik niet van Marguerite.’
‘En waarom heb je mij niet om geld gevraagd?’
‘Dat wilde ze niet.’
‘En waarvoor is dat geld gebruikt?’
‘Om te betalen.’
‘Ze heeft dus een boel schulden?’
‘Nog ongeveer dertigduizend franc. Ach Armand, ik heb het je toch wel gezegd. Je wilde het niet geloven. En nu, ja nu snap je het wel. De tapijtman waar de hertog garant voor stond werd aan de deur gezet toen hij zich daar presenteerde. De hertog schreef hem de volgende dag dat hij niets meer deed voor mevrouw Gautier. De man wilde geld zien, en er is een afbetalingsregeling getroffen. Daar waren de briefjes van duizend voor nodig die ik je heb gevraagd. Daarna hebben behulpzame zielen hem gewaarschuwd dat de hertog weg was bij deze mevrouw en dat ze samenleefde met een jongeman zonder geld. Andere schuldeisers zijn op dezelfde manier gewaarschuwd en eisten schulden op en lieten beslagleggen. Marguerite wilde alles verkopen, maar dat ging niet meer, en bovendien, ik zou er tegen geweest zijn. Maar er moest betaald worden, en ze wilde jou niet om geld vragen, en daarom heeft ze haar paarden verkocht en haar sjaals, en heeft ze haar diamanten beleend. Moet ik je de kwitanties geven en de briefjes van de lommerd?’ En Prudence trok een la open en toonde me alle papieren.
‘Dacht je nou echt,’ ging ze verder met de brutaliteit van een vrouw die recht van spreken heeft, ‘dacht je nou echt dat het genoeg is als je verliefd bent en als je ergens op het platteland een vaag pastoraal leventje leidt? Nee, mijn vriend, nee. Behalve het ideale leven is er ook een echt leven en de mooiste bedoelingen zitten vast aan de werkelijkheid met belachelijke draadjes, maar het zijn wel draadjes van ijzer die je niet zo maar breekt. Marguerite is een heel bijzondere vrouw, anders had ze je al tien keer bedrogen. En reken maar dat ik haar dat wel heb aangeraden, want het deed me pijn te zien hoe die arme stakker alles opoffert. Ze wilde het gewoon niet. Ze zei: ‘Ik houd van hem’ en ze wilde je voor geen geld bedriegen. Wat allemaal heel leuk is, en heel poëtisch, maar het zijn geen duiten waarmee je schuldeisers betaalt. En nu komt ze er niet meer uit. Tenminste dertigduizend, ik zeg het nog maar een keer.’[1]

‘Goed, dat geld krijg je.’
‘Je gaat het lenen?’
‘Lieve hemel, ja.’
‘Nou, mooi is dat. Je gaat dus een conflict krijgen met je vader, je gaat jezelf in de puree werken. En bovendien dertigduizend franc, dat krijg je niet in een dag tijd bij elkaar.
Geloof me, beste Armand, ik ken de vrouwen beter dan jij. Bega niet een stupiditeit waar je later spijt van krijgt. Wees redelijk. Ik zeg niet dat je Marguerite in de steek moet laten. Maar leef met haar zoals je dat aan het begin van de zomer deed. Laat haar zelf de middelen vinden om zich uit de nesten te werken. Ze kan de hertog stapje voor stapje teruglokken. De graaf de N…: als ze hem als minnaar wil nemen, hij zei het gisteren nog, betaalt hij al haar schulden en geeft haar vier- of vijfduizend franc per maand. Hij heeft een inkomen van tweehonderdduizend. Dat helpt haar weer op de been. Terwijl jij – je moet haar toch vroeger of later verlaten. Wacht daar niet mee tot je aan de grond zit. Trouwens, de graaf de N… is een debiel, en je kunt gewoon Marguerites minnaar blijven. Ze zal een beetje huilen in het begin, maar uiteindelijk went ze er aan, en op een dag bedankt ze je ervoor. Marguerite is getrouwd, en je bedriegt de echtgenoot, zo moet je dat zien.
Ik heb het je allemaal al eerder gezegd. Alleen toen was het een goede raad. Nu is het bijna een noodzaak.’
Prudence was wreed, maar ze had gelijk.
‘Zo is het gewoon,’ ging ze verder, terwijl ze de papieren opruimde die ze me had laten zien. De dames van plezier gaan er altijd van uit dat ze minnaars hebben, nooit dat ze zelf ook verliefd kunnen worden. Wat ze zouden moeten doen is geld opzij zetten, en als ze dertig zijn zouden ze zich de luxe kunnen permitteren van een gratis minnaar. Had ik maar geweten wat ik nu weet!
Nou ja, zeg Marguerite hier niets van en neem haar mee terug naar Parijs. Je hebt haar vier of vijf maanden helemaal voor jezelf gehad, dat is toch heel mooi. Doe een oogje dicht, meer wordt er niet van je gevraagd. Over twee weken neemt ze de graaf de N… als minnaar, deze winter doet ze kalmpjes aan, en volgend jaar zomer is alles weer in orde. Zo gaat dat, mijn vriend.’
Prudence leek helemaal ingenomen met haar advies, maar ik verwierp het vol afschuw. Niet alleen mijn liefde en mijn zelfrespect weerhielden me ervan het op te volgen, maar ik was er ook van overtuigd dat Marguerite zoveel van me hield dat ze liever zou sterven dan zo’n gedeelde liefde te accepteren.
‘Genoeg grappen,’ zei ik tegen Prudence. ‘Hoeveel is Marguerite precies schuldig?’
'Dat zei ik toch, zo’n dertigduizend franc.’
‘En wanneer moet die som beschikbaar zijn?’
‘Binnen twee maanden.’
‘Het geld zal er zijn.’
Prudence haalde haar schouders op.
‘Ik geef je het geld, maar je moet zweren dat je er niets over tegen Marguerite zegt.’
‘Maak je geen zorgen.’
‘Als ze je nog iets stuurt om te verkopen of te belenen, laat mij dat dan weten.’
‘Dat gebeurt niet. Ze heeft niets meer.’
Voordat ik terugreisde naar Bougival ging ik bij mij thuis langs om te kijken of er brieven waren van mijn vader.
Er waren er vier.


[Verder lezen]



[1] Nou ja, eerst zei ze: ‘ongeveer dertig.’

zaterdag 6 juli 2019

37. Een heleboel kinderachtigheden

Het is niet gemakkelijk je meer te vertellen over dat nieuwe leven van ons. We gaven ons over aan een heleboel kinderachtigheden, die wij heerlijk vonden maar die voor een buitenstaander totaal niets te betekenen zouden hebben.
Je weet wat het is, om een vrouw lief te hebben, je weet hoe snel de tijd verstrijkt. Je doet niets, maar je glijdt in je verliefdheid van de ene dag in de andere. Je weet ook hoe een liefde die hartstochtelijk is, oprecht en gedeeld, je onverschillig maakt voor alles. Iedereen die niet de geliefde is, is je teveel. Het spijt je dat je flinters van je hart al hebt vergooid aan andere vrouwen, je kunt je niet voorstellen dat je ooit nog zult talen naar andere handen dan de handen die je nu vasthoudt. Het brein kan zich niet bezig houden met werk, niet met het verleden, met niets eigenlijk dan met de gedachte aan háár. Iedere dag ontdek je in je minnares een nieuwe charme, een onbekende begeerlijkheid. Het bestaan is alleen nog maar de voortdurende herhaling van je verlangens, je geest is niet meer dan de vestaalse, die het heilige vuur van de liefde brandend moet houden.
Vaak zaten we als het donker werd in het kleine bos boven het huis. Daar luisterden we naar de vrolijke geluiden van de avond, terwijl we ons ervan bewust waren dat we zo dadelijk tot aan de ochtend in elkaars armen zouden liggen. Andere keren bleven we de hele dag in bed, zonder dat we zelfs het zonlicht in onze kamer toelieten. We hielden de gordijnen hermetisch gesloten, en de buitenwereld kwam enige tijd voor ons tot stilstand. Nanine mocht onze slaapkamerdeur openmaken, maar alleen om de maaltijd binnen te brengen. En die gebruikten we dan zonder op te staan, en voortdurend onderbroken door gekdoenerij en gelach. Na het eten dommelden we even weg, want we verdwenen in onze liefde als twee duikers, die alleen even bovenkomen om adem te halen.
Toch betrapte ik Marguerite soms op ogenblikken dat ze verdrietig was en tranen in haar ogen had. Ik vroeg haar waar dat plotselinge verdriet vandaan kwam, en ze antwoordde:
‘O Armand, onze liefde is geen gewone liefde. Je houdt van me alsof ik nooit aan iemand anders heb toebehoord, en ik huiver bij de gedachte dat je later berouw krijgt en dat je me dan mijn verleden verwijt. En dat je me dan teruggooit in het bestaan waar je me gevonden hebt. Denk je eens in, nu ik een nieuw leven heb gevonden! Ik zou doodgaan als ik mijn vroegere leven weer zou moeten opnemen. Zeg me alsjeblieft dat je me nooit zult in de steek zult laten.’
‘Ik zweer het je.’
Toen, ik dat zei, keek ze me diep in mijn ogen om te zien of mijn eed oprecht was. Daarna wierp ze zich in mijn armen, ze verborg haar hoofd aan mijn borst en zei:
‘Je hebt geen idee hoeveel ik van je houd.’
Op een avond hingen we naast elkaar over ons balkon. We keken naar de maan die moeizaam uit zijn wolkenbed leek te komen, en we hoorden hoe de wind de bomen schudde. We hielden elkaars hand vast en een kwartier lang zeiden we niets. Toen zei Marguerite:
‘De winter komt. Wil je dat we weggaan?’
‘Waarheen?’
‘Naar Italië.’
‘Verveel je je dan?’
‘Ik ben bang voor de winter. Ik ben vooral bang voor als we teruggaan naar Parijs.’
‘Voor wat?’
‘Voor allerlei dingen.’
En abrupt ging ze verder, zonder te zeggen waar ze bang voor was:
‘Wil je ergens heen gaan? Ik zal alles verkopen wat ik bezit en dan kunnen we daar gaan wonen. Er zal niets meer over zijn van mijn oude zelf. Niemand weet meer wie ik ben. Wil je?’
‘Ja, als je dat plezier doet, Marguerite,’ zei ik. ‘Laten we op reis gaan. Maar waarom zouden we dingen verkopen die je als we terugkomen zou missen. Ik heb niet veel geld, maar genoeg om ons in staat te stellen met alle comfort een reis te maken van vijf of zes maanden, als je daar voor voelt.’
‘Nee, eigenlijk niet,’ zei ze. Ze liep weg van het venster en liet zich op de canapé vallen die in de schaduw stond. ‘Waarom zouden we daar geld aan uitgeven? Ik ben hier al duur genoeg.’
‘Je verwijt me dat, Marguerite. Dat is niet aardig.’
‘Neem me niet kwalijk, lieveling,’ zei ze. ‘Het is zo drukkend. Ik heb daar last van. Ik zeg niet wat ik wil zeggen.’
Ze omhelsde me en bleef een tijdlang dromerig voor zich uitkijken.
Dit soort scènes vonden meer dan eens plaats, en ik weet niet hoe, maar het begon tot me door te dringen dat Marguerite ongerust was over de toekomst. Ze had geen aanleiding om te twijfelen aan mijn liefde, want die werd iedere dag dieper, maar toch zag ik vaak dat ze triest was zonder dat ze me ooit vertelde waarom dat was - voor zover het natuurlijk geen lichamelijke oorzaak had.
Ik was bang dat het leven haar te weinig afwisseling bood, en ik stelde haar voor terug te gaan naar Parijs, maar dat wilde ze niet. Ze verzekerde me dat ze nergens zo gelukkig was als hier op het land.
Prudence kwam nog maar zo nu en dan, maar ze schreef wel brieven. Ik vroeg Marguerite nooit me die te laten zien, ook al was zij, iedere keer als er een kwam een tijdlang helemaal van slag. Ik kon alleen maar raden naar de oorzaak.


[Verder lezen]

vrijdag 5 juli 2019

36. 'Mijn lieve Armand'

Marguerite leek na te denken, want ze gaf geen antwoord. Het hart klopte me in de keel.
‘Nee,’ zei ze. ‘Ik verlaat Armand niet, en ik ga ook niet in het verborgene met hem leven. Ik ben misschien niet goed wijs, maar ik houd van hem. Hij is nu gewend geen geheim te maken van onze liefde en het zou hem veel verdriet doen als hij nu, ook al is het maar een uur per dag, zonder mij moet zijn. Ik heb trouwens niet lang genoeg meer te leven om mezelf ongelukkig te maken door me te laten ringeloren door een oude vent, bij wiens aanblik alleen ik al ouder wordt. Laat hij zijn geld maar houden, ik kan wel zonder.’
‘Maar hoe dan?’’
‘Weet ik niet.’
Prudence wist daar vast wel iets op te zeggen, maar ik stormde de kamer binnen en wierp me aan Marguerites voeten, terwijl mijn tranen van vreugde over zoveel liefde over haar handen liepen.
‘Mijn leven is voor jou, Marguerite. Je hebt die man niet nodig. Ik ben er voor je. Zou ik je ooit in de steek laten? Kan ik je ooit het geluk vergelden dat je me schenkt? Niemand zal je meer zijn wil opleggen, lieveling. We houden van elkaar. Wat kan de rest ons schelen?'
‘O ja, ik houd van je, mijn lieve Armand,’ fluisterde ze. Ze sloeg haar beide armen om mijn hals. ‘Ik houd van je zoals ik nooit had gedacht dat ik van iemand zou houden. We zullen gelukkig zijn, we gaan stil leven. Ik stop met mijn vroegere bestaan, ik schaam me daar nu over. En jij komt nooit meer terug op wat geweest is, goed?’
De tranen liepen me over de wangen en beletten me het spreken. Ik drukte Marguerite aan mijn hart.
‘Goed,’ zei ze geëmotioneerd tegen Prudence. ‘Vertel maar aan de hertog wat je gezien hebt. En zeg er bij dat we hem niet meer nodig hebben.’
Na die dag kwam de hertog niet meer ter sprake. Marguerite was niet meer het lichte meisje. Ze vermeed alles wat een gedachte kon oproepen aan het milieu waar ik haar had leren kennen. Geen man heeft ooit een vrouw of een zus gehad die zo van hem hield, hem zo vertroetelde als zij mij. Haar zwakke gestel maakte dat ze open stond voor alle indrukken, alle gevoelens. Ze brak met haar vriendinnen, haar gewoontes, haar grove taal, haar spilzucht. Als we een tochtje maakten, in een aardig bootje dat ik voor haar gekocht had, dan zou niemand die ons zag geloven dat die vrouw in haar witte jurk, met een grote strohoed op en met over haar arm een jasje van zijde dat haar moest beschermen voor kou op het water, dat zij Marguerite Gautier was, die vier maanden eerder opzien baarde met haar luxe en haar schandalen.
Maar o wee, we waren te haastig aan het genieten van ons geluk – het was of we al wisten dat het niet voor lang zou zijn.
Twee maanden lang waren we zelfs niet naar Parijs gegaan. Niemand kwam ons bezoeken, behalve Prudence en die Julie Duprat, je weet wel, die ik ter sprake bracht en aan wie Marguerite later het droevige verhaal in bewaring gaf dat ik hier onder mijn kussen heb.
Ik bracht hele dagen door aan de voeten van mijn minnares. We deden de vensters open die uitkeken op de tuin, en we keken hoe de zomer een weelde van bloemen deed ontluiken, en in de schaduw van de bomen laafden we ons hand in hand aan het echte leven, dat we eigenlijk geen van beiden kenden.
Marguerite was een vrouw met een kinderlijke belangstelling voor de kleinste dingen. Soms rende ze als een meisje van tien door de tuin, achter een vlinder aan of een libelle. Die courtisane die meer geld aan bloemen had besteed dan een heel gezin nodig had om zorgeloos van te leven, zat soms meer dan een uur in het gras om naar een bloempje te kijken dat net zo heette als zij.
Het was in die tijd dat ze vaak las in Manon Lescaut. Ik zag dikwijls dat ze aantekeningen maakte bij dat boek, en ze zei me meer dan eens dat een vrouw die verliefd is nooit zou doen was Manon deed.
Twee of drie keer schreef de hertog haar. Zodra ze het handschrift herkende gaf ze me de brieven door, zonder ze te lezen.
Soms kreeg ik bij die brieven de tranen in de ogen.
De hertog had gedacht dat hij, door zijn beurs voor Marguerite te sluiten, haar wel terug zou brengen in zijn armen. Maar toen hij zag dat dat middel niet werkte, schreef hij haar om haar opnieuw, om haar, net als al eerder, toestemming te vragen bij haar te komen. Ze mocht zelf zeggen onder welke voorwaarden.
Ik las die dringende en herhaalde brieven en ik verscheurde ze zonder Marguerite te zeggen wat er in stond en ook zonder haar aan te raden hem weer in genade aan te nemen. Ik had weliswaar medelijden met de arme man, maar ik was bang dat ze, als ik haar dat aanried, zou denken dat ik graag wilde dat hij opnieuw de kosten voor het huis voor zijn rekening zou nemen. Er was niets waar ik zo bang voor was als dat ze zou denken dat ik in staat was de verantwoordelijkheid voor haar leven af te schuiven, bij alle consequenties die dat voor haar liefde voor mij zou hebben.
Het einde van het liedje was dat de hertog, toen hij steeds geen antwoord kreeg, ophield haar te schrijven. En Marguerite en ik bleven samen ons leventje leiden, zonder ons te bekommeren om de toekomst.


[Verder lezen]

donderdag 4 juli 2019

35. De sleutel van de achterdeur

De volgende ochtend stuurde Marguerite me vroeg weg, ‘want,’ zei ze, ‘de hertog komt zo.’ Ze beloofde me te schrijven als hij weer weg was, zodat we, zoals iedere avond, samen konden zijn.
Inderdaad ontving ik in de loop van de dag dit briefje:

    ‘Ik ga met de hertog naar Bougival. Zorg dat je vanavond om acht uur bij Prudence bent.’

Op het afgesproken uur was Marguerite terug en kwam me opzoeken bij mevrouw Duvernoy.
‘Het is geregeld,’ zei ze bij het binnenkomen.
‘Het huis is gehuurd?’ vroeg Prudence.
‘Ja, hij vond het dadelijk goed.’
Ik ken de hertog niet persoonlijk, maar ik schaamde me hem zo te bedriegen.
‘Maar dat is nog niet alles,’ zei Marguerite.
‘Hoezo?’
‘Ik heb ook nog gekeken hoe Armand kan worden ondergebracht.’
‘Bij jou in huis?’ lachte Prudence
‘Nee, in de Point du Jour. De hertog en ik hebben er gegeten. Terwijl hij het uitzicht bewonderde, heb ik een praatje gemaakt met mevrouw Arnould, zo heette ze toch? Ik heb haar gevraagd of ze een appartement beschikbaar had. En ze had er net één, met een salon, een antichambre en een slaapkamer. Precies wat je nodig hebt. Zestig franc per maand. Zo keurig gemeubileerd dat een hypochonder er nog geen bezwaar tegen zou hebben. Ik heb het gelijk gehuurd. Wat vind je?’
Ik vloog Marguerite om de hals.
‘Zó leuk,’ ging ze verder. 'Jij krijgt de sleutel van de achterdeur en ik heb de hertog een sleutel beloofd van het hek. Maar die neemt hij niet aan, want als hij komt, komt hij alleen overdag. Ik geloof trouwens, onder ons gezegd, dat hij helemaal weg is van het idee. Het houdt mij een tijd weg uit Parijs en het houdt zijn familie rustig. Toch vroeg hij me hoe het toch mogelijk is dat ik, op en top parisienne als ik ben, me in het hoofd had gehaald me op het platteland te gaan begraven. Ik zei dat ik ziek was, en dat ik de rust nodig had. Hij geloofde dat maar half, denk ik, die arme stakker. Hij is altijd zo op zijn hoede. We moeten dus heel voorzichtig zijn, mijn lieve Armand. We moeten ervan uitgaan dat hij daar een oogje op me laat houden. En hij is er niet vanaf met dat huis dat hij voor me huurt. Hij moet ook mijn schulden betalen en ik heb er momenteel nogal wat. Maar wat denk je, schikt het zo?’
‘Ja,’ antwoordde ik, terwijl ik de stem van mijn geweten het zwijgen op probeerde te leggen.
‘We hebben het huis heel grondig bekeken. Het is echt geweldig. De hertog lette op alles. O, lieveling,’ zei ze, terwijl ze me omhelsde, ‘wat heb je een geluk. Je hebt een miljonair die je bedje spreidt.’
‘En wanneer trek je er in?’ vroeg Prudence.
‘Ze vlug als kan.’
‘Neem je je rijtuig mee, en je paarden?’
‘Mijn hele huishouden. En jij houdt een oogje op mijn appartement zolang ik er niet ben.’
Acht dagen later had Marguerite haar intrek genomen in het huis, en ik had me geïnstalleerd in de Point du Jour. Er begon een episode die bijna niet te beschrijven is.
In het begin van haar verblijf in Bougival had Marguerite er nogal wat moeite mee helemaal te breken met haar gewoontes, en omdat er in het huis voortdurend feest werd gevierd kwamen al haar vriendinnen uit Parijs haar opzoeken. Er ging een maand voorbij dat Marguerite iedere dag wel acht of tien mensen aan tafel had. Prudence, van haar kant, nodigde iedereen uit die ze kende en liet ze profiteren van wat het huis te bieden had. Het was of het van haar was.
Het geld van de hertog was goed voor alles, zoals je wel snapt, en toch presteerde Prudence het mij van tijd een briefje van duizend te vragen, zogenaamd namens Marguerite. Ik heb je verteld dat ik wat geld had gewonnen bij het spel, dus ik maakte er geen punt van Prudence het geld te geven dat Marguerite haar liet vragen, en uit bezorgdheid dat ze misschien meer nodig had dan ik bezat, leende ik in Parijs nog een keer het bedrag dat ik eerder had geleend, en dat ik stipt had terugbetaald. Ik was opnieuw de trotse bezitter van zo’n twaalfduizend franc, los van mijn eigen inkomen.
Het plezier dat het Marguerite deed haar vriendinnen te onthalen slonk een beetje toen bleek hoe duur dat plezier was, en vooral toen bleek dat ze me van tijd tot tijd om geld moest vragen.
De hertog had het huis in Bougival voor haar gehuurd zodat ze rust kon nemen, maar hij kwam er zelf niet meer, want hij wilde niet gezien worden door het vrolijke en talrijke gezelschap dat Marguerite omringde. Dat was vooral nadat hij een keer was gekomen om met Marguerite te dineren en terecht kwam in een gezelschap van vijftien mensen die nog aan de lunch zaten. Toen hij nietsvermoedend de deur opendeed van de eetkamer, ging er een luid gelach op, en hij moest zich, bij de onbeschaamde vrolijkheid van de dames die daar aan tafel zaten, haastig terugtrekken.
Marguerite was vlug opgestaan en vond de hertog in de naastgelegen kamer. Ze probeerde het incident te vergoelijken, maar de grijsaard was gekwetst in zijn gevoel van eigenwaarde, en bleef boos: hij zei mijn arme meisje dat hij het beu was te betalen voor de dwaasheden van een vrouw die geen centje respect voor hem had, en vertrok woedend. Sinds die dag liet hij niets meer van zich horen.
Marguerite nodigde haar vriendinnen niet meer uit, ze veranderde haar gewoontes, maar geen nieuws van de hertog. Voor mij had dat het voordeel dat mijn droom nu bewaarheid werd en dat mijn vriendin helemaal van mij was. Marguerite kon niet meer zonder mij. Zonder zich iets van de risico’s aan te trekken maakte ze onze verhouding openbaar. Ik woonde nu permanent bij haar. Haar personeel noemde me ‘meneer’, en beschouwde me officieel als hun baas.

Toen Prudence dit te weten kwam, probeerde ze Marguerite onder druk te zetten, maar die zei dat ze van me hield, dat ze niet kon leven zonder mij en dat ze, wat er ook het gevolg van zou zijn, geen afstand meer zou doen van mijn gezelschap. ‘En wie dat niet aanstaat, hoeft niet meer terug te komen,’ voegde ze daar aan toe.
Marguerite zei dit op een dag toen Prudence haar apart nam om haar iets belangrijks te vertellen. Ik hoorde het toen ik luisterde aan de deur van de kamer waar ze zich hadden afgezonderd.
Enige tijd later was Prudence er weer.
Ik bevond me achter in de tuin toen ze arriveerde en ze zag me niet. De manier waarop Marguerite voor haar uitliep, terug naar huis, gaf me het idee dat er opnieuw een gesprek zou plaatsvinden zoals dat wat ik had afgeluisterd en ik wilde weer weten wat er gezegd werd.
De twee vrouwen zonderden zich af in een boudoir en ik legde mijn oor te luisteren.
‘En?’ vroeg Marguerite.
‘Ja, ik heb de hertog gezien.’
‘Wat zei hij?’
‘Dat hij je best die scene van toen wil vergeven. Maar dat hij inmiddels heeft gehoord dat je openlijk samenleeft met meneer Armand Duval, en dat kan hij je niet vergeven. “Marguerite moet die jongeman verlaten,” zei hij, “en dan kan ze weer krijgen wat ze maar wil. Als ze dat niet wil zal ze het zonder mij moeten stellen.”’
‘Wat heb je geantwoord?’
‘Dat ik je zijn beslissing zou overbrengen. En ik heb hem beloofd dat ik je wel tot rede zou brengen. Denk na, lieverd, denk aan wat je verliest en wat Armand je nooit zal kunnen bieden. Hij is je met hart en ziel toegedaan, maar hij is niet zo gefortuneerd dat hij in al je behoeften kan voorzien, en op een dag verlaat hij je, en dan is het te laat en zal de hertog niets meer voor je willen doen. Zal ik met Armand praten?’


[Verder lezen]

34. Bougival

De tijd dat ik gewoonlijk bij mijn vader en mijn zus was brak aan, maar ik ging niet weg. Ik ontving dan ook regelmatig brieven, zowel van hem als van haar, met de vraag waar ik bleef. Ik antwoordde steeds zo goed mogelijk. Zei dat alles goed ging en dat ik geen geld nodig had, dingen, die naar ik aannam mijn vader een beetje zouden troosten voor het uitstel van mijn jaarlijkse bezoek.
In die tijd gebeurde het op een ochtend dat Marguerite wakker werd van het stralende zonlicht, uit bed sprong en me vroeg haar de hele dag mee uit te nemen de stad uit. Prudence werd erbij gehaald en we vertrokken met zijn drieën, nadat Marguerite Nanine opdracht had gegeven aan de hertog te zeggen dat ze van het mooie weer wilde profiteren en dat ze was uitgegaan met mevrouw Duvernoy.
Behalve dat haar aanwezigheid nodig was om de oude hertog gerust te stellen, was Prudence ook een vrouw die geknipt was voor dit soort uitstapjes. Ze had altijd een goed humeur en een eeuwige eetlust, en zo hoefde haar gezelschap zich geen ogenblik te vervelen en was het een waar genoegen om eieren te bestellen, kersen, melk, konijnenstoof en alles wat hoort bij een lunch op het land in de omstreken van Parijs.
We hoefden alleen nog maar te bedenken waar we heen gingen.
Ook hier bood Prudence uitkomst.
‘Willen jullie naar een echte landelijke omgeving?’ vroeg ze.
‘Ja.’
‘Nou, laten we dan naar Bougival[1] gaan, naar de Point du Jour van de weduwe Arnould. Ga een calèche huren, Armand.’[2]
Anderhalf uur later waren we bij de weduwe Arnould.
Misschien ken je die herberg? Door de week hotel, in het weekend taveerne. Vanuit de tuin, die een paar meter verhoogd is, heb je een magnifiek uitzicht. Links aan de horizon het aquaduct van Marly, rechts een oneindigheid van heuvels. De rivier, die op deze plek bijna geen stroming heeft, ligt als een lint van witte moirézijde tussen les Gabillons en het eiland van Croissy, gewiegd in het geritsel van de hoge populieren en het gemurmel van de wilgen. In het dorp, in een brede baan zonlicht, liggen kleine witte huizen met rode daken en fabrieksgebouwen die in de verte hun harde commerciële karakter verliezen en prachtig in het landschap passen.
Daarachter Parijs, in nevelen gehuld.
Zoals Prudence al had gezegd, het was echt landelijk en de lunch was bijpassend.
Ik zeg dit allemaal niet uit erkentelijkheid voor het geluk dat het dorp me heeft gegeven, maar Bougival is ondanks zijn ellendige naam[3] een van de mooiste plekjes die je je kunt voorstellen. Ik heb veel gereisd, en ik heb beroemdere panorama’s gezien, maar niets dat lieflijker is dan dit dorpje dat daar zo aardig ligt aan de voet van zijn heuvel.
Mevrouw Arnould stelde ons voor een boottochtje te maken, en Marguerite en Prudence namen dat aanbod enthousiast aan.
Het platteland is altijd in verband gebracht met de liefde, en dat is terecht, want niets laat een vrouw die je liefhebt beter tot haar recht komen dan een blauwe hemel, geuren, bloemen, een briesje, de verrukkelijke rust van het land of het bos. Hoe veel je ook van een vrouw houdt, hoezeer je haar ook vertrouwt, hoe veel verwachtingen voor de toekomst je ook aan het verleden kunt ontlenen, je bent als man altijd min of meer jaloers. Als je ooit verliefd bent geweest, serieus verliefd, dan moet je die behoefte kennen om dat wezen waar je al je kaarten op hebt gezet te vrijwaren van de wereld. Het lijkt of een vrouw die je liefhebt, hoe weinig ze zich ook gelegen laat liggen aan haar omgeving, iets verliest van haar allure, van haar ‘geur’, in het contact met andere mensen en dingen. En ik ervaarde dat wel heel sterk. Mijn liefde was geen gewone liefde. Ik was zo verliefd als een mens maar zijn kan, maar ik was het op Marguerite Gautier, dat wil zeggen op Parijs, waar ik overal iemand kon tegenkomen die de minnaar van deze vrouw was geweest of die het zou worden. Maar op het land, tussen mensen die we nooit eerder hebben gezien, voor wie we niets betekenen, in een voorjaarslandschap dat ieder jaar alles vergeeft, ver weg van het rumoer van de stad, kon ik mijn liefde verbergen voor vreemden, en liefhebben zonder schaamte en zonder vrees.
Marguerite werd steeds minder de courtisane. Ik had een mooie jonge vrouw bij me, die ik liefhad, en die mij liefhad. Het verleden was niet meer zichtbaar. De toekomst onbewolkt. De zon wierp licht op mijn minnares zoals hij licht zou hebben geworpen op een prille verloofde. We wandelde samen langs fijne plekjes die deden denken aan romantische verzen, en verliefde wijsjes.[4] Marguerite droeg een witte japon, ze hing aan mijn arm, en die avond, onder de sterren, herhaalde ze wat ze me de vorige nacht had gezegd. En de mensheid leefde zijn leven, ver weg, zonder de geringste schaduw te werpen op onze jeugd en onze liefde.
Dat is wat er door mijn hoofd ging, die dag, terwijl het zonlicht door de bladeren speelde en ik languit in het gras lag. Ik liet mijn gedachten de vrije loop, weg van alle menselijke beslommeringen, en ik koesterde ieder sprankje hoop dat zich aan me opdrong.
Daar kwam nog bij dat ik, vanaf de plek waar ik lag, op de oever een schattig huisje zag met twee etages en een hek in een halve cirkel: door het hek was voor het huis een groen gazon zichtbaar, zo effen als fluweel, terwijl achter het huis een klein bos lag, vol mysterieuze plekjes, en met bemoste paden waarop de ochtend de voetafdrukken uitwiste die de vorige dag gezet waren. Het huis was onbewoond. Klimbloemen overdekten het portiek en reikten tot de eerste etage.
Terwijl ik naar dit huis keek, begon ik te denken dat het voor mij bestemd was, zo goed vatte het alles samen wat ik zo-even had gedroomd. Ik zag Marguerite er wonen met mij, overdag in het bos dat de heuvel bedekte, ’s avonds in een tuinstoel op het gras. Ik vroeg me af of er ooit stervelingen zo gelukkig waren geweest als wij.
‘Wat een leuk huisje,’ zei Marguerite die mijn blik had gevolgd, of misschien wel mijn gedachten had gelezen.
‘Waar?’ zei Prudence.
‘Daarginds,’ wees Marguerite.
‘Ach, schattig,’ antwoordde Prudence. ‘Staat het je aan?’
‘Heel erg.’
‘Nou dan, zeg tegen de hertog dat hij het voor je moet huren. Dat doet hij vast wel. Als je wilt ga ik het hem vragen.’
Marguerite keek naar mij als om te vragen wat ik daarvan dacht.
Prudences laatste woorden hadden mijn droom doen vervliegen, en hadden me zo bruut in de werkelijkheid teruggeworpen dat mijn oren nog tuitten van de klap.
‘Ja, ja, geweldig idee,’ stamelde ik.
‘Mooi, dan regel ik dat,’ zei Marguerite, die wat ik zei opvatte naar haar eigen zin. ‘Laten we meteen even kijken of het te huur is.’
Het huisje was te huur voor tweeduizend franc.
‘Wat denk je, ben je hier gelukkig?’ zei ze.
‘Weet je zeker dat ik mag komen?’
‘Ja, voor wie anders zou ik me hier gaan begraven.’
‘Maar laat mij dan dit huisje zelf huren.’
‘Ben je gek. Het is nergens voor nodig, en het zou zelfs gevaarlijk zijn. Je weet zelf ook wel dat ik maar van één man cadeautjes mag aannemen. Toe nou, groot kind dat je bent! Laat nou gaan.’
‘En als ik dan een paar dagen vrij heb, kan ik mooi naar jullie toekomen,’ zei Prudence.
We lieten het huisje en namen de weg terug naar Parijs terwijl we honderduit praatten over dit nieuwe idee. Ik hield Marguerite in mijn armen, en dat maakte me zo gelukkig dat ik, toen we uitstapten, het plan van mijn minnares al met heel andere ogen bekeek.


[Verder lezen]



[1] Aan de Seine, niet ver ten westen van Parijs.

[2] Een calèche is een lichte, open koets.

[3] Wat er ellendig is aan de naam Bougival heb ik niet kunnen achterhalen.

[4] Dumas noemt de bij ons weinig in aanzien staande dichter Lamartine en de obscure componist Scudo

woensdag 3 juli 2019

33. Aan het hoofd van twaalfduizend franc

Ja, zei Armand. Ik had het begin van onze verhouding natuurlijk in een paar zinnen kunnen vertellen, maar ik wilde je echt stap voor stap laten zien hoe het allemaal gegaan is. Hoe ik ertoe kwam in te stemmen met alles wat Marguerite van me wilde, en hoe het kwam dat Marguerite niet meer zonder mij kon.
Manon Lescaut heb ik haar gestuurd de dag na de avond dat ze me kwam opzoeken.[1]
Vanaf dat moment zag ik in dat ik het leven van mijn maîtresse niet kon veranderen, en ik veranderde mijn eigen leven. Voor alles wilde ik mezelf niet de tijd geven om na te denken over de rol die ik net had geaccepteerd, want dat zou me, of ik wilde of niet, veel verdriet hebben gedaan. Mijn leven, dat tot dan toe zo rustig was, werd nu rumoerig en wanordelijk. Denk maar niet dat de liefde van een lichte vrouw, hoe onzelfzuchtig die ook is, geen geld kost. Er zijn duizend dingen, bloemen, theaterloges, etentjes en uitstapjes die je je maîtresse niet kunt weigeren.
Zoals ik je al verteld heb, ik was niet rijk. Mijn vader was en is nog steeds belastingontvanger in C… Hij had dankzij een voortreffelijke reputatie van betrouwbaarheid de garantiesom kunnen opbrengen voor deze functie. Het honorarium is veertigduizend franc, en in de tien jaar dat hij de functie bekleedt heeft hij de garantiesom kunnen terugbetalen en is hij begonnen te sparen voor de bruidsschat van mijn zuster. Mijn vader is de fatsoenlijkste kerel die je je kunt voorstellen. Mijn moeder heeft bij haar overlijden zesduizend franc rente nagelaten, die hij, op de dag dat hij zijn functie kreeg, heeft verdeeld tussen mijn zuster en mij. Verder heeft hij, toen ik éénentwintig werd, aan mijn inkomentje een jaarlijkse rente van vijfduizend franc toegevoegd. Van achtduizend franc zou ik in Parijs goed kunnen leven, als ik me, naast deze rente, een baan wist te verwerven aan het gerecht of in de medische wereld. Ik ben dus naar Parijs gegaan, ik heb rechten gedaan, en ben geaccepteerd aan de balie, maar zoals veel jongelui heb ik me, toen ik mijn diploma eenmaal op zak had, een beetje laten gaan in het goede leven. Mijn uitgaven waren heel bescheiden, maar toch gaf ik in acht maanden mijn jaarinkomen uit, en de vier zomermaanden bracht ik bij mijn vader door. Zo had ik in feite twaalfduizend franc, plus een reputatie als goede zoon. Verder geen schulden, geen cent.
Zo stond het er voor toen ik Marguerite leerde kennen. Je snapt dat mijn kosten onvermijdelijk omhoog gingen. Marguerite had een impulsief karakter. Ze was een van die vrouwen die de duizend-en-één genoegens waaruit hun leven bestaat echt niet zien als serieuze kosten. Maar ze wilde zoveel mogelijk tijd met mij doorbrengen. Dus schreef ze me ‘s ochtends dat ze samen met me wilde eten, niet bij haar thuis maar ergens in de stad of buiten. Ik haalde haar op en we gingen eten. We gingen naar de schouwburg. Vaak gingen we ’s avonds laat nog wat eten. En dan had ik in een dag tachtig of honderd franc uitgegeven, iets tussen vijfentwintighonderd en drieduizend franc per maand, wat betekende dat mijn inkomen drie-en-een-halve maand meeging. Ik moest schulden maken of het uitmaken met Marguerite. Nou ja, dat laatste was natuurlijk uitgesloten.
Neem me niet kwalijk dat ik je al deze details vertel, maar je zult zien dat ze de oorzaak waren van wat volgt. Wat ik je vertel is een waar verhaal, heel simpel, en ik vertel het gewoon, zo naïef en zo simpel als het is.
Ik begreep dat ik, omdat ik voor geen goud mijn maîtresse aan de kant zou zetten, een manier moest vinden om de kosten te dragen die ze me liet maken. – Overigens was ik zo ondersteboven van mijn verliefdheid dat alle ogenblikken dat ik niet bij Marguerite was jaren leken te duren, en dat ik die ogenblikken maar het liefst wilde opbranden in een of andere verslaving: ik wilde ze leven met zoveel snelheid dat ik niet eens in de gaten had dat ik ze leefde.
Ik begon ermee vijf- of zesduizend franc te lenen, met mijn kapitaaltje als onderpand, en ik begon te spelen, want sinds ze de speelhuizen hebben gesloten wordt er echt overál gespeeld. Als je vroeger Frascati[2] binnenging, had je kans daar je fortuin te maken: je speelde tegen het grote geld en als je verloor kon je jezelf troosten met de gedachte dat je had moeten winnen. Tegenwoordig is dat heel anders. Er zijn nog wel plaatsen waar ze er nog een beetje streng op zijn dat er wordt betaald, maar meestal weet je, als je een fors bedrag wint, dat de kans heel groot is dat er niet wordt betaald. En je snapt wel hoe dat komt. Er wordt alleen gespeeld door jongelui die grote behoeften hebben, maar niet voldoende geld voor het leven dat ze leiden. Dus gaan ze spelen, en dan is dat natuurlijk het resultaat.[3] Of ze winnen, en dan kunnen de verliezers opdraaien voor de kosten van hun paarden en hun maîtresses. Er worden schulden aangegaan. Contacten tot stand gekomen aan het groene laken draaien uit op conflicten waarbij de goede naam en zelfs het leven altijd een beetje op het spel staan. En je bent zelf natuurlijk een fatsoenlijke kerel, maar je ontdekt dat je wordt uitgekleed door andere heel fatsoenlijke jongelui, die geen andere problemen hebben dan dat ze niet een inkomen hebben van tweehonderdduizend franc. En dan heb ik het niet eens over lui die vals spelen en van wie je pas later, als ze hebben moeten vertrekken, hoort wat voor schurken het waren.
Ik stortte me dus in het snelle, hete, vulkanische leven, dat me vroeger schrik aanjoeg, en dat nu voor mij een onvermijdelijke aanvulling was op mijn liefde voor Marguerite. Wat had ik anders moeten doen! Als ik de nachten die ik niet doorbracht in de rue d’Antin thuis was geweest had ik niet kunnen slapen. De jaloezie zou me hebben verteerd en me wakker hebben gehouden. Het spel hielp me om tenminste tijdelijk mijn koorts op iets anders te richten, dat ook een belang was, en dat me bezig hield tot het tijdstip dat ik naar mijn minnares moest. Want daaraan zag je hoe hartstochtelijk verliefd ik was: ik verliet de speeltafel, of ik nu op winst stond of op verlies, en ik beklaagde degenen die ik daar achterliet en die niet zoals ik het geluk hadden dat ze weg moesten. Voor de meeste spelers was het spel een verslaving, voor mij was het een medicijn. Toen ik genezen was van Marguerite, was ik genezen van het spel.
Ik bleef dan ook bij dit alles heel koelbloedig. Ik verloor nooit meer dan ik kon betalen en ik won hoogstens het bedrag dat ik had kunnen verliezen. Overigens was het geluk mij goedgezind. Ik maakte geen schulden en ik kon drie keer zoveel geld uitgeven als toen ik niet speelde. Het was niet eenvoudig om weerstand te bieden aan een leven dat het me mogelijk maakte om zonder problemen aan alle wensen van Marguerite te voldoen.
Wat haarzelf betreft, zij hield nog steeds evenveel van me, en zelfs meer dan ooit. Ik heb je al verteld, in het begin werd ik alleen ontvangen tussen middernacht en zes uur ’s ochtends. Daarna werd ik van tijd tot tijd toegelaten in de theaterloges. Ze ging soms met me dineren. Op een ochtend ging ik pas om acht uur naar huis, en uiteindelijk vertrok ik pas tegen de middag.
In afwachting van een morele metamorfose had zich bij Marguerite al een grote fysieke verandering voorgedaan. Ik had op me genomen haar te genezen, en het arme meisje deed alles wat ik wilde om haar dankbaarheid te tonen. Zonder aanvaringen, eigenlijk moeiteloos, slaagde ik erin haar haar vroegere gewoontes te doen vergeten. Mijn arts, die ze op mijn verzoek had bezocht, had me gezegd dat ze alleen gezond zou blijven bij een leven van veel rust, en zonder hevige emoties. Dus kwamen zorg voor haar gezondheid en een regelmatige nachtrust in plaats van de avondlijke etentjes en de periodes van slapeloosheid. Stap voor stap raakte Marguerite aan dit nieuwe bestaan gewend en ze merkte dat haar gezondheid er wel bij voer. We waren al zo ver dat ze soms thuisbleef. Of we gingen ‘s avonds, als het mooi weer was - zij in een sjaal gewikkeld, en met een voile - als twee kinderen samen wandelen in de sombere lanen van de Champs Elysées.[4] Ze kwam moe thuis, at iets en ging naar bed, na even piano te hebben gespeeld of te hebben gelezen – iets wat haar vroeger nooit lukte. Het hoesten, dat iedere keer dat ik het hoorde mijzelf de borst verscheurde, was bijna verdwenen.
Na zes weken was er geen sprake meer van de graaf. Hij was definitief opgeofferd. Alleen de hertog dwong me nog discreet te zijn over mijn verhouding met Marguerite maar als ik er was werd zelfs hij dikwijls weggestuurd onder het voorwendsel dat mevrouw sliep en niet wilde dat ze werd wakker gemaakt.
Een gevolg van de gewoonte, en zelfs de behoefte van Marguerite om mij te zien, was dat ik de speeltafel verliet juist op het moment dat een goede speler dat ook zou hebben gedaan. Uiteindelijk waren mijn winsten van dien aard dat ik aan het hoofd stond van een twaalfduizend franc, een kapitaal dat me onuitputtelijk voorkwam.


[verder lezen]



[1] Wat de verklaring is van het woord ‘nederigheid’ in de opdracht.

[2] Een beroemd café aan de boulevard des Italiens, waar van vier uur ‘s middags tot diep in de nacht werd gespeeld.

[3] Te weten: dat ze niet kunnen betalen.

[4] Op afbeeldingen van circa 1850 doet de Champs Elysées denken aan de Lijnbaan in Utrecht.

dinsdag 2 juli 2019

32. Ons hart heeft zijn grillen

Zowel wat Marguerite zei als de aanblik die ze bood onderging ik ademloos. Ooit had ik er alles voor over gehad de voeten te kussen van deze wonderbaarlijke vrouw, en als ik bedacht dat ze me nu toestond om iets van haar gedachten mee te voelen, om een rol te spelen in haar leven, en dat ik daar niet eens tevreden mee was, dan vroeg ik me af hoe het mogelijk was dat ik zo gemakkelijk kreeg wat ik wilde en toch nog meer wilde. Kent de begeerte van de mens dan totaal geen grenzen?
‘Ja, het is waar,’ ging ze verder, ‘wij meisjes van plezier, wij hebben bizarre verlangens, verliefdheden die nergens op slaan. Het ene moment geven we ons voor dit, het andere moment voor iets anders. Soms ruïneert iemand zich voor ons zonder dat hij er iets mee opschiet, anderen kunnen ons hebben voor een bosje bloemen. Ons hart heeft zijn grillen, die zijn het enige vermaak dat het heeft, het enige excuus. Ik heb me aan jou gegeven, sneller dan ik me ooit eerder aan een man gaf, dat zweer ik je. En waarom? Omdat je mijn hand pakte toen je zag dat ik bloed opgaf, omdat je huilde. Omdat je de enige levende ziel was die me wel wilde beklagen. Ik zal je iets stoms zeggen. Ik had vroeger een hondje, dat me heel zielig aankeek als ik hoestte. Dat was het enige levende wezen waarvan ik ooit heb gehouden. Toen hij doodging heb ik meer gehuild dan bij de dood van mijn moeder. Maar die heeft me natuurlijk twaalf jaar lang geslagen. Hoe dan ook, ik hield op slag van jou evenveel als van mijn hondje. Als de mannen wisten wat ze konden bereiken met een paar tranen, dan zouden ze meer worden bemind, en wij meisjes zouden minder wreed zijn.
Je brief heeft je eigenlijk verraden. Hij heeft me laten inzien dat je niet zo fijngevoelig was als ik dacht. Hij heeft meer schade gedaan aan mijn verliefdheid dan alles wat je me verder had kunnen aandoen. Het was jaloezie, ja, maar een heel onbeschofte, sarcastische jaloezie. Ik was al treurig, toen je brief kwam. Ik hoopte je die middag te zien, met je te lunchen en zo een nare gedachte van me af te zetten die me al een tijd niet met rust liet, en waar ik, voor ik jou leerde kennen, steeds door werd gekweld.
Weet je,’ ging Marguerite verder, ‘toen ik jou leerde kennen dacht ik dat jij iemand was tegen wie ik alles zou kunnen zeggen wat er in mijn hoofd omging. Mensen die omgaan met meisjes als ik zoeken meestal iets achter ieder woord, kennen betekenissen toe aan wat ze maar doen. In feite hebben wij geen vrienden. We hebben minnaars, die egoïstisch zijn, die hun centen uitgeven, niet aan ons, zoals ze beweren, maar aan hun eigen ijdelheid. Voor dat soort mensen moeten we vrolijk zijn als ze een goed humeur hebben, we moeten een goede eetlust hebben als ze ons mee uit eten nemen, sceptisch zijn als zij het zijn. Onszelf zijn, dat is ons verboden, op straffe van te worden afgeblaft. Van verlies van ons krediet. Want we zijn niet meer van onszelf. We zijn geen mensen, we zijn dingen. In hun eigenliefde staan we voorop. Maar respect voor ons hebben ze niet.
We hebben vriendinnen, maar dat zijn vriendinnen als Prudence, lichte vrouwen uit het verleden, die nog de smaak hebben van een leven dat ze zich niet meer kunnen permitteren. Dus worden ze onze vriendinnen. Maar eigenlijk zijn ze onze uitvreetsters. Hun vriendschap is vaak bijna slaafs, maar nooit vrij van eigenbelang. Wat ze je zeggen is er altijd op berekend er zelf beter van te worden. Het kan hun weinig schelen of we er tien extra minnaars op na houden, zolang dat hun iets oplevert, japons, een armband, het recht zo nu en dan ons rijtuig te gebruiken en in de schouwburg in onze loge te zitten. Ze krijgen onze boeketten van gisteren en ze lenen onze sjaals. Als ze ons een dienst verlenen, hoe onbelangrijk ook, kost ons dat altijd geld, twee keer zoveel als nodig is. Je was er zelf bij, die avond, toen Prudence me zesduizend franc bracht van de hertog. Ze leende onmiddellijk vijfhonderd franc, die ik nooit terug zie, of misschien in de vorm van hoedjes die ik nooit uit de doos haal.
Er is voor ons dus, of laat ik zeggen, er is voor mij dus, maar één geluk weggelegd, en dat is, zo treurig als ik soms ben, en zo ziek als altijd, een man te vinden die zo hoogstaand is dat hij me niet vraagt rekenschap af te leggen van mijn leven, iemand die meer de minnaar is van mijn gevoelens dan van mijn lichaam. De hertog was zo’n man, maar de hertog is oud en oude mensen kunnen je niet beschermen en ook niet troosten. Ik dacht dat ik het leven dat hij me bood kon accepteren. Maar wat wil je, ik ging dood van verveling, en als je er toch aan moet geloven kun je je beter in het vuur gooien dan stikken in kolendamp.
En toen kwam ik jou tegen, jou, jong, vurig, stralend van geluk, en ik probeerde in jou de man te zien waar ik naar snakte in mijn lawaaiige eenzaamheid. Waar ik verliefd op was, dat was niet de man die je was, maar de man die je zou kunnen zijn. Maar die rol wil je niet. Je verwerpt hem, want hij is je te min. Je bent een minnaar als alle anderen. Geef me geld, en we praten er niet meer over.’
Marguerite was vermoeid, door deze lange tirade en ze liet zich tegen de rugleuning van de canapé zakken. Ze bracht een zakdoek naar haar lippen om een lichte hoestaanval te smoren en bracht de zakdoek daarna naar haar ogen.
‘Vergeef me, vergeef me,’ prevelde ik. ‘Ik wist het eigenlijk wel. Maar ik wilde het je zo graag zelf horen zeggen. Ik aanbid je. Laat alles zijn vergeten, we hoeven maar één ding te onthouden: we zijn er voor elkaar, we zijn jong, we zijn verliefd.
Maak van me wat je wilt, Marguerite, ik ben je slaaf, ik ben je hond. Maar in hemelsnaam verscheur de brief die ik je heb geschreven en sta niet toe dat ik morgen wegga. Ik zou sterven.’
Marguerite trok mijn brief uit het decolleté van haar japon en gaf hem me met een onuitsprekelijk lieve glimlach terug:
‘Hier heb je hem.’
Ik verscheurde de brief en ik kuste in tranen de hand die hem me teruggaf.
Op dat ogenblik kwam Prudence terug.
‘Wat denk je, Prudence, dat hij me vroeg?’ zei Marguerite.
‘Hij vroeg je vergiffenis.’
‘Precies.’
‘En?’
‘Ik moet wel. Maar hij wil ook nog iets anders.?’
‘Zo?’
‘Hij wil bij ons komen eten.’
‘En dat vind je goed?’
‘Wat denk je?’
‘Ik denk dat jullie twee grote kinderen zijn, zonder een greintje gezond verstand. Maar ik denk ook dat ik best honger heb. En hoe eerder je ja zegt, hoe eerder we aan tafel zitten. ‘
‘Kom,’ zei Marguerite, ‘we passen best met zijn drieën in mijn rijtuig. Wacht,’ voegde ze daar aan toe, terwijl ze mij aankeek. ‘Nanine zal al naar bed zijn. Jij moet maar opendoen. Hier is mijn sleutel. Probeer te zorgen dat je hem niet weer verliest.’
Ik omhelsde Marguerite zo heftig dat ze bijna stikte.
Joseph kwam binnen.
‘Meneer,’ zei hij heel tevreden, ‘de koffers zijn gepakt.’
‘Helemaal?’
‘Ja meneer.’
Nou, pak ze dan maar weer uit. Ik ga toch niet weg.’


[Verder lezen]

maandag 1 juli 2019

31. Twee dames

Joseph en ik waren ongeveer een uur bezig met mijn spullen toen er hard aan de bel werd getrokken.
‘Moet ik opendoen?’ vroeg Joseph.
‘Doe maar,’ zei ik. Ik vroeg me af wie er kon zijn op dit tijdstip. Dat het Marguerite was, durfde ik niet geloven.
‘Meneer,’ zei Joseph toen hij weer binnenkwam, ‘het zijn twee dames.’
‘Wij zijn het,’ riep een stem.
Prudence!
Ik liep mijn slaapkamer uit.
Prudence stond mijn schaarse spulletjes te bekijken. Marguerite zat peinzend op mijn canapé.
Ik ging naar binnen, liep op haar toe, knielde, pakte haar beide handen en stamelde helemaal geëmotioneerd: ‘Vergeef me.’
Ze kuste me op het voorhoofd, en zei: ‘Dat is al de derde keer dat ik je vergeef.’
‘Ik was van plan morgen weg te gaan uit Parijs.’
‘En kan mijn visite je van plan doen veranderen? Ik ben hier niet om je tegen te houden. Ik kom omdat ik vandaag geen tijd had om je brief te beantwoorden en ik wilde niet dat je zou denken dat ik nog boos was. Prudence was er ook niet voor dat ik hierheen zou komen. Ze dacht dat ik misschien ongelegen zou komen.'
‘Ongelegen? Jij, Marguerite? Hoe zou dat kunnen?’
‘Ja god, stel dat er een vrouw bij u was,’ zei Prudence, ‘dat zou ze niet leuk hebben gevonden als daar ineens twee andere dames aan de deur stonden.’
Toen Prudence dat zei, keek Marguerite me aandachtig aan.
‘Mijn lieve Prudence,’ zei ik, ‘je weet niet wat je zegt.’
‘Een leuk appartement hebt u,’ zei Prudence. 'Mogen we uw slaapkamer zien?’
‘Ja.’
Prudence liep mijn slaapkamer binnen, niet echt uit nieuwsgierigheid, maar om haar stommiteit te verbergen en ook om ons samen te laten, Marguerite en mij.
‘Waarom heb je Prudence meegebracht?’ zei ik.
‘We waren samen uit,’ zei ze. ‘En trouwens, ik wilde graag dat er iemand bij me is als we hier weggaan.’
‘Ben ik er dan niet?’
‘Ja, ja, maar ik wilde je niet lastig vallen, en bovendien, als je me naar huis brengt, denk ik dat je me vraagt of je mee naar binnen mag. En daar kan ik niet ja op zeggen, en ik was bang dat je dan naar huis zou gaan en boos op me zou zijn over de weigering.’
‘En waarom kun je me niet ontvangen?’
‘Ik wordt nauwlettend in de gaten gehouden en de minste verdenking zou me in grote problemen kunnen brengen.’
‘Alleen om die reden?’
‘Als er nog een reden was, zou ik je dat zeggen. We zijn het stadium voorbij dat we geheimen voor elkaar kunnen hebben.’
‘Ach, Marguerite, alsjeblieft, laten we het niet ingewikkelder maken van nodig is. Gewoon eerlijk, houd je een beetje van me?’
‘Heel veel.’
‘Maar waarom bedrieg je me dan?’
‘Luister, mijn vriend, als ik mevrouw de hertogin van Dit of Dat was, of als ik tweehonderdduizend franc rente had, als ik dan je maîtresse was en ik hield er naast jou een andere minnaar op na, dan zou je het recht hebben me te vragen waarom ik je bedrieg. Maar ik ben alleen maar Marguerite Gautier en ik heb veertigduizend franc aan schulden en verder niets, en ik geeft honderdduizend per jaar uit, je vraag slaat nergens op en het heeft geen zin je te antwoorden.’
‘Je hebt gelijk,’ zei ik, en ik legde mijn hoofd op haar knieën, ‘maar ik ben totaal gek op je.’
‘Tja, mijn vriend, je moet een beetje minder van me houden of me een beetje beter begrijpen. Je brief heeft me een boel verdriet gedaan. Als ik mijn handen vrij had, dan zou ik de graaf eergisteren helemaal niet hebben ontvangen, of, als ik hem wel had ontvangen, dan zou ik je om vergeving hebben gevraagd zoals jij mij zo-even vergeving vroeg. En ik zou voortaan geen andere minnaar hebben dan jou. Ik dacht een moment dat ik mezelf dat geluk zes maanden zou kunnen permitteren, maar jij wilde dat niet. Jij wilde per se weten waar ik de middelen vandaan haalde, tja, en die middelen, dat was niet moeilijk te raden! Het was een heel groot offer dat ik bracht door het over die boeg te gooien. Ik had ook tegen jou kunnen zeggen: “Ik heb twintigduizend franc nodig.” Je was verliefd en je zou ze hebben gevonden, met het risico dat je me dat later zou verwijten. Ik wilde vermijden dat ik je iets verplicht ben. Dat was fijngevoeligheid, maar jij begreep dat niet. Mijn soort meisjes, wij geven, als we nog een beetje gevoel hebben, aan woorden en daden soms meer betekenis dan andere vrouwen. Ik zeg je dus nog een keer dat voor Marguerite Gautier het middel dat ze vond om haar schulden te betalen zonder een beroep op jou te doen iets was wat van jou de fijngevoeligheid zou vergen om er van te profiteren zonder er iets over te zeggen. Als je me vandaag pas had leren kennen, zou je zo gelukkig zijn over wat ik je in het vooruitzicht stel dat het niet in je op zou komen om te vragen wat ik eergisteren heb gedaan. Soms zijn we gedwongen iets wat ons hart begeert te kopen ten koste van ons lichaam, en daar hebben we verdriet van. En dat verdriet wordt er niet minder op als dat hartsverlangen ons ook nog ontgaat.’


[Verder lezen]

zondag 30 juni 2019

30. Koffers pakken

Die avond had ik had ik al aardig spijt van wat ik gedaan had. Ik was alleen thuis. Ik kon niet slapen en ik werd verscheurd door ongerustheid en jaloezie. Als ik de zaak op zijn beloop had gelaten, bedacht ik me, was ik bij Marguerite geweest en had ik haar de lieve dingen horen zeggen die ik nu maar twee keer had gehoord, en die me in mijn eenzaamheid in mijn oren brandden.
Wat er zo afschuwelijk was in mijn situatie, dat was dat ik eigenlijk wel begreep dat ik ongelijk had. Alles wees erop dat Marguerite van me hield. Allereerst dat plan om de zomer met me door te brengen op het land. Maar ook de wetenschap dat niets haar dwong om mijn maîtresse te worden, omdat ik niet rijk genoeg was om in haar behoeften of zelfs maar in haar impulsieve verlangens te voorzien. De reden moest gewoon zijn dat ze hoopte in mij iemand te vinden die echt om haar gaf, die in staat was haar rust te geven van de betaalde liefde waarin ze haar dagen sleet. En al op de tweede dag vernietigde ik die hoop en betaalde ik met onbeschaamd sarcasme voor de liefde die ik twee nachten had genoten. Wat ik deed was niet alleen belachelijk, het was onbeschoft. Het was beter geweest als ik deze vrouw had betaald, als ik haar het leven wilde verwijten dat ze leidde. Leek ik, nu ik op de tweede dag van onze verhouding al wegliep, niet een parasiet van de liefde, die bang is dat hij uiteindelijk wordt afgepoeierd? Zesendertig uur kende ik Marguerite nu. Vierentwintig daarvan was ik haar minnaar geweest, en nu al hing ik de overgevoelige uit. In plaats dat ik overgelukkig was dat ze een plekje voor me vrijmaakte, wilde ik haar helemaal voor mij alleen, wilde ik haar dwingen te breken met de relaties uit haar verleden die ook een garantie voor haar toekomst waren. Wat kon ik haar verwijten? Niets. Ze had me geschreven dat ze niet lekker was, terwijl ze me, met de gruwelijke openhartigheid van sommige vrouwen, ook botweg had kunnen schrijven dat ze een minnaar verwachtte. En in plaats van haar briefje te geloven, in plaats van te gaan wandelen in alle straten van Parijs, maar niet in de rue d’Antin, in plaats van de avond door te brengen met mijn vrienden en me de volgende ochtend te presenteren op het afgesproken tijdstip, hing ik de Othello uit, bespioneerde ik haar, en probeerde ik haar te straffen door haar niet meer te zien. Ze zou dolblij moeten zijn, met deze scheiding. Ze zou me een absolute dwaas moeten vinden. Haar stilzwijgen, dat was niet gewoon rancune, het was minachting.
Ik had Marguerite in deze situatie een cadeau moeten geven waardoor ze geen reden zou hebben aan mijn generositeit te twijfelen. Dan had ik kunnen geloven dat ik, door haar te behandelen als een meisje van plezier, mijn schuld aan haar had vereffend. Maar als ik het over die boeg had gegooid, had ik het gevoel gehad dat ik zo niet haar liefde voor mij, dan in ieder geval wel mijn liefde voor haar kwetste. En omdat die liefde zo diep ging dat hij geen deling toestond, kon er niet met een cadeau, hoe mooi ook, worden betaald voor het geluk dat ik had ervaren, hoe kort dat ook geweest was.
In dat soort bespiegelingen bracht ik de nacht door, en het waren bespiegelingen die ik bereid was op ieder moment aan Marguerite te vertellen. Toen het dag werd sliep ik nog steeds niet. Ik had koorts. Ik kon aan niets anders meer denken dan aan Marguerite.
Je snapt wel dat ik op dat moment een definitief besluit moest nemen en moest breken met deze vrouw of anders mijn scrupules opzij zetten – als ze me althans nog wilde ontvangen. Maar ja, je weet wel, een mens is altijd geneigd een beslissende stap uit te stellen. Thuis blijven lukte me niet. Naar Marguerite gaan durfde ik niet. Dus ik nam mijn toevlucht tot een middel om haar te benaderen dat mijn eigenliefde, als het lukte, zou kunnen toeschrijven aan het toeval.
Het was negen uur. Haastig ging ik naar Prudence. Ze vroeg me waaraan ze deze ochtendlijke visite te danken had. Ik durfde niet eerlijk te zeggen wat me bezield had. Ik zei dat ik vroeg was opgestaan om de diligence te nemen naar C…, waar mijn vader woonde.
‘U bent wel een geluksvogel,’ zei ze, ‘dat u weg kunt uit Parijs nu het zo warm is.’
Ik keek Prudence aan en vroeg me af of ze me voor de gek hield.
Maar haar gezicht stond ernstig.
‘Gaat u Marguerite nog dag zeggen?’ vroeg ze, nog steeds op serieuze toon.
‘Nee.’
‘Verstandig.’
‘Vindt je?’
‘Natuurlijk. U hebt toch gebroken met haar. Waar is het dan goed voor om haar op te zoeken?’
‘Je weet dus van onze breuk?’
‘Ik heb uw brief gezien.’
‘En wat zei ze?’
‘Ze zei: “Lieve Prudence, je protegee is niet zo beleefd. Dit soort brieven, die kun je bedenken, maar je schrijft ze niet echt.”’
‘Op wat voor toon zei ze dat?’
‘Ze lachte, en voegde daar aan toe: “Hij heeft twee keer bij me gegeten, maar een afscheidsbezoekje als digestief om de maaltijd af te sluiten zit er blijkbaar niet in.”’
Dat was dus wat mijn brief en mijn jaloezie tot stand hadden gebracht. Het was aardig vernederend, allemaal.
‘Wat heeft ze gisteravond gedaan?’
‘Ze is naar de Opéra geweest.’
‘Ja, dat weet ik. En daarna?’
‘Ze heeft thuis gesoupeerd.’
‘Alleen?’
‘Nee, met de graaf de G… geloof ik.’
Dat ik het had uitgemaakt, had niets veranderd aan Marguerites gewoontes. Het is om dit soort situaties dat ze wel zeggen: ‘Je moet gewoon niet meer denken aan zo’n vrouw die toch niet van je hield.’
‘Nou, dat is een hele geruststelling dat Marguerite het zo goed opnam,’ zei ik met een geforceerd lachje.
‘En ze had groot gelijk natuurlijk. U deed wat u moest doen. U was verstandiger dan zij. Want ze hield echt van u, die meid. Ze had het steeds maar over u. Ze had wel een ongeluk kunnen begaan.’
‘Ha, als ze van me houdt, waarom heeft ze dan niet geantwoord?’
‘Ze zag zelf ook wel in dat ze er niet verstandig aan deed van u te houden. Soms laten vrouwen toe dat ze bedrogen worden in hun liefde, maar nooit dat ze gekwetst worden in hun eigenliefde, en de eigenliefde van een vrouw wordt wel degelijk gekwetst als ze na een verhouding van twee dagen aan de dijk wordt gezet, om wat voor reden dan ook. Ik ken mijn Marguerite. Ze zou nog liever doodgaan dan uw brief beantwoorden.’
‘En wat moet ik nu doen?’
‘Niets. Ze vergeet u wel. En u vergeet haar, en jullie hebben elkaar niets te verwijten.’
‘Maar als ik haar nu zou schrijven, om haar te vragen me te vergeven?’
‘Doe maar niet, want ze zou u nog vergeven ook.’
Ik was Prudence bijna om de hals gevallen.
Een kwartier later was ik weer thuis en ik schreef Marguerite:


‘Iemand heeft bitter spijt van een brief die hij heeft geschreven. Als je hem niet vergeeft, vertrekt hij morgen. Hij zou willen weten op welke tijdstip hij je zijn spijt kan betuigen.
Wanneer ben je alleen? Want je weet wel, biechten doe je zonder getuigen.


Ik vouwde dit madrigaal-in-proza en ik stuurde Joseph op pad, die de brief aan Marguerite zelf overhandigde, en ze zei hem dat ze later zou antwoorden. Ik ging in een vloek en een zucht ergens eten en was daarna weer thuis. Om elf uur had ik nog geen antwoord.
Ik besloot toen niet langer te lijden en de volgende ochtend te vertrekken. En ik begon, ervan overtuigd dat ik geen oog meer dicht zou doen, mijn koffers te pakken.
[Verder lezen]

zaterdag 29 juni 2019

29. Als een kind

Toen ik weer thuis was, huilde ik als een kind. Als je niet ooit tenminste één keer bedrogen bent, dan weet je niet wat een verdriet dat is. Met het soort besluitvaardigheid dat bij een koortstoestand hoort, en waarvan je je niet kunt voorstellen dat het ooit nog aan het wankelen zal worden gebracht, zei ik tot mezelf dat ik onmiddellijk een eind moest maken aan deze liefde. Ik wachtte vol ongeduld tot het dag zou worden: ik was van plan een kaartje kopen voor de diligence en terug te keren naar mijn vader en mijn zus, van wie ik hield en in wier liefde ik tenminste wist dat ik niet bedrogen zou worden. Maar ik wilde niet weggaan zonder dat Marguerite zou weten waarom ik dat deed. Alleen een man die echt niet meer van zijn maîtresse houdt, vertrekt zonder haar te schrijven.
In mijn verbeelding formuleerde ik de ene brief na de andere.
Ik had een affaire gehad met een meisje dat net zo was als alle meisjes van plezier. Ik had haar veel te veel geïdealiseerd, dat was duidelijk, en ze had me behandeld als een scholier, en om me te bedriegen een trucje toegepast dat zo simpel was dat het beledigend was. Mijn eigenliefde kreeg de overhand. Ik moest deze vrouw verlaten zonder haar het plezier gunnen haar te laten merken hoe ik leed onder de breuk. Dit schreef ik haar uiteindelijk, in mijn mooiste handschrift en met in mijn ogen tranen van woede en verdriet:


Lieve Marguerite,
Ik hoop dat je ziekte van gisteren is meegevallen. Om elf uur ’s avonds heb ik naar je geïnformeerd, en ik hoorde dat je nog niet thuis was. Meneer de G… was fortuinlijker dan ik, want hij kwam kort daarna, en om vier uur ’s nachts was hij nog bij je.
Neem me de paar vervelende uren niet kwalijk die ik je heb bezorgd. Je kunt er zeker van zijn dat ik de weinige gelukkige uren die ik je schuldig ben nooit zal vergeten.
Ik zou natuurlijk zijn komen informeren naar je gezondheid vandaag, maar ik ben van plan naar mijn vader te gaan. Adieu, Marguerite. Ik ben niet rijk genoeg om je lief te hebben zoals ik zou willen, en niet arm genoeg om je lief te hebben zoals jij dat wilt. We moeten dus alles maar vergeten: jij een naam die mettertijd niet veel meer voor je zal betekenen, ik een geluk dat niet voor me is weggelegd.
Hierbij je sleutel terug, die ik nooit heb gebruikt, en waar je misschien nog iets aan hebt als je vaak ziek bent zoals je dat gisteren was.’


Je ziet het, ik was niet in staat deze brief af te sluiten zonder een naar staaltje sarcasme. Het bewees wel hoe verliefd ik nog was.
Ik las en herlas de brief tien keer, en de gedachte dat hij Marguerite pijn zou doen kalmeerde me een beetje. Ik probeerde net zo hard te zijn als ik me in die brief voordeed en toen om acht uur mijn bediende binnenkwam, stopte ik hem de envelop in zijn handen en vroeg hem die onmiddellijk te bezorgen.
‘Moet ik op een antwoord wachten?’ vroeg Joseph (mijn bediende heette Joseph, zoals alle bedienden).
‘Zeg maar dat je geen idee hebt als ze ernaar vragen en wacht dan.’
Ik klampte me vast aan de hoop dat ze me zou antwoorden. Wat zijn we toch laf!
Terwijl mijn bediende op pad was, was ik de hele tijd hyperzenuwachtig. Dan weer bedacht ik hoe Marguerite zich aan me had gegeven en vroeg ik me af waar ik de brutaliteit vandaan haalde om haar zo’n brief te schrijven. Ze kon me antwoorden dat niet meneer de G… mij bedroog, maar ik hem: een redenering die een heleboel vrouwen in staat stelt er meer dan één minnaar op na te houden. Maar dan weer herinnerde ik me de verliefde woorden van deze vrouw, en hield ik mezelf voor dat mijn brief nog te vriendelijk was, en dat je je niet kras genoeg kunt uitdrukken om een vrouw af te straffen die een liefde die zo oprecht was als die van mij belachelijk maakte. Dan weer zei ik tegen mezelf dat ik beter niet had kunnen schrijven, dat ik in de loop van de dag bij haar langs had moeten gaan, omdat ik dan het genoegen had gehad getuige te zijn van de tranen die ik haar ontlokte.
Uiteindelijk begon ik me af te vragen wat ze me zou schrijven, en ik was al bereid ieder excuus te aanvaarden dat ze zou aanvoeren.
Joseph kwam terug.
‘En?’ vroeg ik.
‘Meneer,’ antwoordde hij, ‘mevrouw sliep nog, maar ze krijgt uw brief zodra ze belt. Als er een antwoord is, brengen ze dat.’
Ze sliep nog!
Honderd keer stond ik op het punt om mijn brief terug te laten halen. Maar steeds zei ik bij mezelf: ‘Ze hebben hem haar misschien al overhandigd, en dan lijkt het of ik spijt heb.’
Hoe dichter we bij het tijdstip kwamen waarop ze me waarschijnlijk zou antwoorden, hoe meer spijt ik had van wat ik haar had geschreven.
Tien uur, elf uur, twaalf.
Tegen het middaguur was ik zover dat ik bijna naar onze afspraak was gegaan alsof er niets was gebeurd. Ik wist niet meer wat ik doen moest om me te verlossen van de ijzeren band die me omklemde.
Vervolgens dacht ik, met de bijgelovigheid van iemand die zit te wachten, dat ik bij mijn thuiskomst een antwoord zou vinden als ik er nu even uitging. Brieven waar je op zit te wachten komen vaak als je niet thuis bent.
Ik ging weg onder het voorwendsel dat ik ging lunchen.[1]
In plaats van, zoals ik gewend was, te gaan lunchen in het café Foy, op de hoek van de boulevard des Italiens, ging ik naar Palais Royal[2] en liep ik door de rue d’Antin. Steeds als ik in de verte een vrouw zag, dacht ik dat het Nanine was, met een antwoord op mijn brief. Maar er was geen kip op straat. Ik kwam aan bij Palais Royal, ik ging naar binnen bij Véry. De kelner gaf me te eten, of liever serveerde me het een en ander, want ik at niet echt. Of ik wilde of niet, mijn blik bleef gericht op de klok.
Ik ging terug naar huis, ervan overtuigd dat er een brief zou zijn van Marguerite. De portier had niets ontvangen. Ik hoopte nog op mijn bediende, maar die had niemand gezien sinds mijn vertrek.
Als Marguerite van plan was geweest me te antwoorden, dan had ze dat al lang gedaan.
Ik begon spijt te krijgen van de bewoordingen van mijn brief. Ik had beter helemaal niets kunnen schrijven, dan was ze ongerust geworden en had iets moeten doen: ze had me moeten vragen waarom ik niet op onze afspraak was verschenen, en dan had ik haar dat kunnen zeggen. En dan had ze zich wel moeten verontschuldigen, en dat was wat ik wilde, dat ze zich verontschuldigde. Ik had al het gevoel dat ik ieder excuus zou aanvaarden dat ze zou aanvoeren en dat ik alles prettiger zou vinden dan haar niet meer te zien.
Uiteindelijk begon ik te geloven dat ze zelf naar me toe zou komen, maar uur na uur ging voorbij en ze kwam niet.
Het was duidelijk, Marguerite was anders dan andere vrouwen want er zijn er niet veel die niet tenminste iets antwoorden als ze zo’n brief krijgen als ik had geschreven.
Om vijf uur ging ik haastig naar de Champs Elysées.
Als ik haar zie, dacht ik, dan neem ik een onverschillig air aan, en ze zal denken dat ik al niet meer met haar bezig ben.
In de bocht van de rue Royale zag ik haar langskomen in haar rijtuig. Het gebeurde zo plotseling dat ik verbleekte. Ik weet niet of ze dat zag; ik was zo geëmotioneerd dat ik alleen maar haar rijtuig zag.
Ik liep niet verder naar de Champs Elysées. Ik begon de theateraffiches te bestuderen, want ik had nog een kans om haar te zien. Er was een première in het Palais Royal. Marguerite zou daar natuurlijk bij zijn. Ik was om zeven uur in het theater. De loges liepen vol, maar geen Marguerite. Ik verliet het Palais Royal en ik liep alle theaters af waar ze regelmatig kwam, het Vaudeville, het variététheater, de Opéra Comique.
Ze was nergens.
Misschien had mijn brief haar zoveel verdriet gedaan dat ze geen zin meer had in het theater. Of ze was bang voor een woordenwisseling als mij tegen kwam.
Tenminste dat is wat mijn ijdelheid me influisterde terwijl ik over de boulevard liep - toen ik Gaston tegenkwam, die me vroeg waar ik vandaan kwam.
‘Van het Palais Royal.’
‘Ik van de Opéra,’ zei hij. ‘Ik meende zelfs dat ik je daar zag.’
‘Hoezo?’
‘Marguerite was daar.’
‘Aha, was ze daar?’
‘Ja?’
‘Alleen?’
‘Nee, met een vriendin.’
‘Verder niet?’
‘De graaf de G… is even in haar loge geweest. Maar ze ging weg met de hertog. Ik verwachtte steeds dat jij zou verschijnen. Er was naast mij een stallesplaats die de hele avond onbezet bleef. Ik dacht dat jij hem gereserveerd had.’
‘Waarom zou ik ergens heen gaan waar Marguerite is?’
‘Ja verdomme, omdat je haar minnaar bent.’
‘Wie zegt dat?’
‘Prudence. Ik kwam haar gisteren tegen. Gelukwensen, man. Een mooie maîtresse, die niet voor iedereen is weggelegd. Wees er maar zuinig op.’
Die simpele opmerking van Gaston liet me inzien hoe dwaas mijn gevoeligheden waren. Als hij me dit gisteren had gezegd, had ik vast en zeker die belachelijke brief vanmorgen niet geschreven.
Ik stond op het punt om naar Prudence te gaan, om haar te vragen Marguerite te zeggen dat ik haar wilde spreken. Maar ik was bang dat ze zich zou willen wreken en dat ze zou zeggen dat ze geen tijd voor me had. Ik liep daarom terug naar huis, via de rue d’Antin.
Ik vroeg nog een keer aan mijn portier of er een brief voor mij was.
Niets!
Misschien wilde ze zien of ik nog iets zou doen, en of ik mijn brief zou herroepen, zei ik bij mezelf terwijl ik naar bed ging. Als ze ziet dat ik niet heb geschreven, schrijft zij me morgen.


[Verder lezen]



[1] Nou ja, uiteraard wat Fransen dejeuner noemen.

[2] Niet het gebouw zelf, maar het complex daaromheen. Very, waar Armand uiteindelijk gaat eten bevond zich aan de Galerie de Beaujolais, bij de Jardin du Palais Royal.

56. Epiloog

‘Heb je het gelezen?’ zei Armand toen ik Julies manuscript uit had. ‘Als het allemaal echt zo is gegaan, mijn vriend,’ zei ik, ‘dan begrij...