woensdag 19 juni 2019

19. Meneer de N...

‘Goeienavond, mijn beste Gaston,’ zei Marguerite tegen mijn vriend. ‘Fijn je te zien. Waarom kwam je me niet opzoeken in mijn loge in het variététheater?’
‘Ik was bang indiscreet te zijn.’
‘O, maar vrienden' - en Marguerite legde de nadruk op dit woord, alsof ze bij alle aanwezigen wilde benadrukken dat Gaston niet meer was dan een vriend en ook nooit meer was geweest – ‘vrienden zijn altijd welkom.’
‘Mag ik je meneer Armand Duval voorstellen?’
‘Ik had al tegen Prudence gezegd dat dat mocht.’
‘Overigens, mevrouw,’ zei ik met een buiging en erin slagend min of meer begrijpelijke klanken uit te stoten, ‘ik had al de eer aan u te zijn voorgesteld.’
Marguerites charmante ogen leken in haar herinnering te zoeken, maar ze wist het niet meer, of ze leek het niet meer te weten.
‘Dankuwel, mevrouw,’ hervatte ik, ‘dat u die eerste keer bent vergeten, want ik maakte me heel erg belachelijk, en u moet me heel vervelend hebben gevonden. Het was twee jaar geleden, in de Opéra Comique. Ik was daar met Ernest de …'
‘Ah, ik weet het weer,’ zei Marguerite met een glimlach. ‘U was niet belachelijk. Ik was een plaaggeest. Zoals ik nog steeds een beetje ben, maar wel minder. Hebt u het me vergeven, meneer?’
Ze reikte me de hand en ik kuste die.
‘Het is waar,’ zei ze. ‘Weet u, ik heb de slechte gewoonte om mensen die ik voor het eerst zie in verlegenheid te brengen. Heel stom. Mijn dokter zegt dat het komt omdat ik nerveus ben van aanleg, en ik ben altijd een beetje niet lekker. Geloof mijn dokter maar.’
‘Maar u ziet er gezond uit.’
‘Ik ben heel ziek geweest.’
‘Ik weet het.’
‘Wie heeft u dat verteld?’
‘Iedereen weet dat. Ik ben vaak bij u langs geweest om te horen hoe het met u was. En ik was heel blij toen ik hoorde dat u aan de beterende hand was.
‘Ze hebben me nooit uw kaartje gegeven.’
‘Ik heb nooit een kaartje achtergelaten.’
‘Was u dan misschien die jongeman die tijdens mijn ziekte iedere dag kwam vragen hoe het met me ging, en die nooit zijn naam wilde zeggen?’
‘Ja, dat was ik.’
‘Maar dan bent u niet zomaar vergevensgezind, u bent edelmoedig. Dat zou u nooit gedaan hebben, graaf,’ voegde ze daar aan toe, terwijl ze zich tot meneer de N… wendde. Ik voor mij kreeg van haar een van die blikken waarmee vrouwen hun oordeel over een man afronden.
‘Ik ken je pas twee maanden,’ zei de graaf.
‘En meneer hier kent me pas vijf minuten. Wat zegt u toch altijd stomme dingen.’
Vrouwen zijn genadeloos jegens mensen die ze niet mogen.
De graaf bloosde en beet op zijn lippen.
Ik had medelijden met hem want hij leek verliefd, net als ik, en de hardheid van Marguerite moest hem veel verdriet doen, vooral onder de ogen van twee vreemden.
‘U was muziek aan het maken toen we binnenkwamen,’ zei ik om het onderwerp van gesprek te veranderen. ‘Wilt u me niet het plezier doen om door te spelen, of we oude bekenden zijn?’
‘O nee,’ riep ze. Ze wierp zich op de canapé en wees ons dat we konden gaan zitten. ‘Gaston weet wel wat voor pianospeelster ik ben. Dat kan wel als ik alleen ben met de graaf, maar ik kan u dat niet aandoen.’
‘Aha, die voorkeur heb je tenminste voor mij,’ antwoordde meneer de N…
Hij probeerde fijntjes en met ironie te lachen.
‘U moet me dat niet verwijten. Meer is er niet.’
Het was wel duidelijk dat de arme kerel niets goeds zou kunnen zeggen. Hij wierp de jonge vrouw een echt smekende blik toe.
‘O, en Prudence,’ ging ze verder, heb je gedaan wat ik je gevraagd heb?
‘Ja.’
‘Fijn. Vertel het me later maar. We moéten praten hoor. Je gaat niet weg voordat ik met je heb gepraat.’
‘We komen vast niet gelegen,’ zei ik, ‘en nu we, of beter gezegd nu ik na die mislukte eerste keer een tweede kans heb gekregen om me voor te stellen, trekken we ons terug, Gaston en ik.’
‘Helemaal niet. Ik zei dat niet omdat ik wilde dat u vertrekt. In tegendeel, ik wil dat u blijft.’
De graaf haalde een heel chic horloge tevoorschijn, waarop hij keek hoe laat het was.
‘Het is tijd voor mij om naar de club te gaan,’ zei hij.
Marguerite antwoordde niet.
De graaf liet daarop de schoorsteenmantel in de steek en liep naar haar toe:
‘Tot ziens, mevrouw.’
Marguerite stond op.
‘Tot ziens, mijn beste graaf. Gaat u al?’
‘Ja, ik ben bang dat ik u verveel.’
‘U verveelt me vandaag niet erger dan eerder. Wanneer zie ik u weer?’
‘Wanneer u maar wilt.’
‘Tot ziens dan.’
Het was wreed he, dat moet je toegeven.
De graaf was gelukkig heel goed opgevoed en had een vriendelijk karakter. Hij kuste de hand die Marguerite hem genadiglijk toestak, en vertrok na ons te hebben gegroet.
Op het moment dat hij de deur uitliep, wierp hij Prudence een blik toe. Ze haalde haar schouders op alsof ze wilde zeggen: ‘Wat wilt u nou, ik heb gedaan wat ik kon.’
‘Nanine,’ riep Marguerite, ‘kom meneer de graaf even bijlichten.’
We hoorde hoe de voordeur open ging en weer dicht.

dinsdag 18 juni 2019

18. 'Kom binnen, heren.'

Ik ging terug naar mijn plaats, om Gaston te vertellen wat ik voor hem en mij had afgesproken. Hij vond het goed. We verlieten onze plaatsen en gingen naar de loge van mevrouw Duvernoy. Toen we de deur van de het parterredeel uitgingen moesten we even wachten om Marguerite en de hertog te laten passeren. Ik had er tien jaar van mijn leven voor over gehad om daar te lopen in plaats van die oude heer. Toen ze buiten waren, liet hij haar plaatsnemen in een lichte koets met twee schitterende paarden die hijzelf mende, en ze verdwenen in draf. Wij gingen de loge van Prudence binnen.

Toen het nummer was afgelopen vertrokken we en we namen een eenvoudig huurrijtuig dat ons naar rue d’Antin 7 bracht. Bij de deur van haar huis nodigde Prudence ons binnen. Ze wilde ons haar winkel laten zien, waar we nooit geweest waren en waar ze kennelijk erg trots op was. Je snapt wel hoe enthousiast ik haar aanbod aannam. Het leek me dat ik stukje bij beetje dichter bij Marguerite kwam. Het kostte me niet veel tijd om het gesprek op haar te brengen.
‘Is de hertog nu bij uw buurvrouw?’ vroeg ik Prudence.
‘Nee, nee, ik denk dat ze alleen is.’
‘Ach,’ zei Gaston. ‘Ze moet zich stierlijk vervelen.’
‘We zijn ‘s avonds bijna altijd samen. En anders roept ze me als ze thuiskomt. Ze gaat nooit naar bed voor twee uur in de ochtend. Eerder kan ze niet slapen.’
‘Echt?’
‘Het is haar longziekte. Ze heeft bijna altijd koorts.’
‘Heeft ze geen minnaars?’ vroeg ik.
‘Er is niemand die blijft als ik wegga. Maar ik weet natuurlijk niet of er niet iemand komt als ik er niet meer ben. Ik zie ’s avonds vaak een zekere graaf de N… bij haar, die denkt dat hij zijn kansen verbetert door haar zoveel sieraden te sturen als ze maar wil, en haar om elf uur ’s avonds op te zoeken. Maar ze ziet geen heil in hem. Ten onrechte. Die knaap is heel rijk. Ik zeg soms tegen haar: “Hij is echt de man die je nodig hebt, lieverd.” Maar nee hoor. Meestal luistert ze best naar me, maar dan keert ze me de rug toe en zegt dat hij stom is. Dat is natuurlijk zo, maar het zou haar zekerheid bieden. De oude hertog kan elke dag doodgaan. Oude mannen zijn egoïstisch. Zijn familie moet niets van Marguerite hebben. Nou ja, dan snapt u het wel: hij zal haar niets nalaten. Ik peper haar dat in. Maar ze antwoordt dat ze altijd nog de graaf kan nemen als de hertog dood is.
Het is niet altijd een lolletje,’ ging Prudence verder, ‘om haar soort leven te leiden. Ik weet wel dat ik daar niet blij mee zou zijn, en dat ik die hertog vlug aan de dijk zou zetten. Hij is een beetje kinds. Hij noemt haar zijn meisje en hij vertroetelt haar als een kind, hij laat haar nooit met rust. Ik weet zeker dat er zelfs op dit uur iemand van zijn personeel in een portiek staat te loeren wie er naar buiten komt en vooral wie er naar binnen gaat.
‘Ach, die arme Marguerite!’ zei Gaston. Hij ging aan de piano zitten en speelde een wals. ‘Ik wist dat niet. Maar ze maakte inderdaad de laatste tijd een niet zo opgewekte indruk.’
‘Sst,’ zei Prudence. Ze spitste haar oren.
Gaston hield op met spelen.
‘Ik geloof dat ze me roept.’
We luisterden.
Ja inderdaad. Iemand riep Prudence.
‘Nou heren, tijd om te gaan,’ zei mevrouw Duvernoy.
‘Zo, is dat wat u gastvrijheid noemt?’ lachte Gaston. ‘Wij moeten gaan als u dat wil.’
‘Waarom zouden we gaan?’
‘Ik ga naar Marguerite.’
‘We blijven wel wachten.’
‘Dat kan echt niet.’
‘Dan gaan we met u mee.’
‘Dat kan al helemaal niet.’
‘Ik ken Marguerite wel,’ zei Gaston. ‘Ik kan best bij haar op visite gaan.’
‘Maar ze kent Armand niet.’
‘Ik stel hem wel voor.’
‘Onmogelijk.’
We hoorden opnieuw de stem van Marguerite, ze riep nog steeds Prudence. Die liep naar haar boudoir. Gaston en ik volgden haar. Ze deed het raam open. Wij gingen zo staan dat we van buiten niet zichtbaar waren.
‘Ik roep je al tien minuten,’ zei Marguerite vanuit haar raam, op een bijna bevelende toon.
‘Wat wil je?’
‘Ik wil dat je dadelijk hier komt.’
‘Waarom?’
‘Omdat graaf N… hier nog is, en ik verveel me dood.’
‘Ik kan nu niet.’
‘Wat houd je tegen?’
‘Ik heb hier twee jongelui die niet willen vertrekken.’
‘Zeg dat dat je weg moet.’
‘Dat heb ik al gezegd.’
‘Laat ze dan bij jou achter, als ze merken dat je wegblijft, gaan ze wel.’
‘Ja, nadat ze alles overhoop hebben gehaald…’
‘Maar wat willen ze dan?’
‘Ze willen jou zien.’
‘Hoe heten ze?’
‘Een ken je er. Dat is meneer Gaston R…’
‘Ja, die ken ik. En de andere?’
‘Meneer Armand Duval. Ken je niet?’
‘Nee, maar laat hem maar komen. Alles beter dan de graaf. Ik wacht, kom gauw.’
Marguerite deed haar raam dicht, Prudence het hare.
Mijn gezicht was Marguerite even bekend voorgekomen. Maar mijn naam zei haar niets. Ik had liever gehad dat ze een slechte herinnering aan mij had, dan zo, helemaal niets.
‘Zie,’ zei Gaston. ‘Ik wist wel dat ze het heel leuk zou vinden om ons te zien.’
‘Heel leuk is het woord niet,’ zei Prudence. Ze deed haar sjaal om en zette haar hoed op. ‘Ze ontvangt jullie om de graaf de deur uit te krijgen. Probeer alsjeblieft onderhoudender te zijn dan hij, of - ik ken mijn Marguerite – het is groot hommeles tussen ons.’
We gingen achter Prudence aan naar beneden.
Ik beefde. Het leek me dat deze visite mijn leven grondig zou veranderen. Ik was nog zenuwachtiger dan indertijd, toen ik kennis met haar maakte in de loge van de Opéra Comique.
Toen we voor de deur stonden van het appartement dat je kent, klopte mijn hart zo heftig dat ik niet meer kon denken. We hoorden flarden pianospel.
Prudence belde aan.
De piano zweeg.
Een vrouw die meer leek op een gezelschapsdame dan op een kamermeisje kwam ons opendoen.
We gingen naar de kamer en van de kamer naar het boudoir, dat er in die tijd uitzag zoals u het hebt gezien.
Een jongeman stond tegen de schoorsteenmantel geleund. Marguerite zat aan haar piano. Ze liet haar vingers over de toetsen dwalen en begon aan muziekstukjes die ze niet afmaakte.

Het was al met al een toonbeeld van verveling, bij de man doordat hij zich schaamde over zijn onbenulligheid, bij de vrouw door het bezoek van deze deerniswekkende figuur.
Toen ze Prudence hoorde, stond Marguerite op. Ze liep op ons af, met een dankbare blik naar mevrouw Duvernoy.
‘Kom binnen, heren,’ zei ze. ‘Wees welkom.’


[Verder lezen]

maandag 17 juni 2019

17. Prudence

Ik begreep, ging Armand verder na even te hebben gepauzeerd, dat ik nog steeds verliefd was, maar ik voelde me ook sterker dan vroeger. Ik verlangde ernaar weer contact te hebben met Marguerite, maar ik verlangde ook haar te laten zien dat ik haar nu aan kon. Wat een kronkelwegen, wat een kronkelredeneringen volgt het hart om zijn doel te bereiken!
Ik kon dan ook niet langer in de gang blijven rondhangen, en ik ging terug naar mijn parterreplaats, terwijl ik snel een blik wierp in de zaal om te zien in welke loge ze zich bevond. Het was een loge op de begane grond en ze was helemaal alleen. Ze was, ik heb het je al gezegd, veranderd. Het onverschillige lachje om haar lippen was verdwenen. Ze was ziek geweest en ze was het nog steeds. Hoewel het al april was, was ze nog helemaal in fluweel gekleed, of het nog winter was.
Ik bleef haar zo nadrukkelijk aankijken dat mijn blik die van haar naar zich toetrok. Ze keek me even aan, pakte haar lorgnet om me beter te observeren en dacht ongetwijfeld dat ze me kende, zonder dat ze precies wist wie ik was, want ze legde het lorgnet neer, en op haar lippen verscheen, als antwoord op een groet die ze van mij verwachtte, een glimlach: die charmante manier van vrouwen om iemand te groeten. Maar ik reageerde niet, alsof ik een voordeel op haar wilde behalen door de indruk te wekken dat ik haar was vergeten, terwijl zij zich mij herinnerde.
Ze dacht dat ze zich had vergist en wendde haar blik af.
Het gordijn ging op.
Ik heb Marguerite heel wat keren in een schouwburg gezien, maar ik heb nooit gemerkt dat ze zelfs maar de geringste aandacht besteedde aan wat er werd gespeeld. Wat mij betreft, mij interesseerde het schouwspel dat werd geboden ook bar weinig, ik was alleen maar met haar bezig, maar ondertussen deed ik wat ik kon om te zorgen dat ze er niets van merkte.
Ik zag op die manier dat ze blikken uitwisselde met de loge tegenover haar. Toen ik keek wie daar zat, zag ik dat het een vrouw was die ik wel kende. Het was een voormalige maintenee, die had geprobeerd bij het theater te gaan, wat haar niet was gelukt. Daarna was ze, vertrouwend op haar relaties met de elegante dames van Parijs, in de detailhandel gegaan: ze had een modewinkel gekocht.
Ik dacht dat zij me kon helpen met Marguerite in contact te komen, en toen ze een ogenblik mijn kant op keek groette ik haar met mijn hand en met mijn ogen.
Wat ik verwachtte gebeurde, ze riep me in haar loge.
Prudence Duvernoy, zo was de gezegende naam van deze winkelierster. Ze was een van die mollige vrouwen van in de veertig, die je, zonder dat er veel diplomatie nodig is, vertellen wat je weten wilt, vooral als wat je wilt weten zo iets simpels is als ik haar wilde vragen.
Ik profiteerde van een moment waarop ze weer blikken wisselde met Marguerite om haar te vragen:
‘Wie kijkt u daar zo aan?’
‘Marguerite Gautier…’
‘Kent u haar?’
‘Jazeker. Ik ben haar costumière, en ze woont naast me.’
‘U woont dus in de rue d’Antin?’
‘Op 7. Het raam van haar boudoir kijkt uit op het mijne.’
‘Ze zeggen dat ze heel charmant is.’
‘Kent u haar niet?’
‘Nee, maar ik zou graag kennis met haar maken.’
‘Zal ik haar vragen naar onze loge te komen?’
‘Nee, ik heb liever dat u me echt aan haar voorstelt.’
‘U bedoelt bij haar thuis?’
‘Ja.’
‘Dat is lastiger.’
‘Waarom?’
‘Ze is de protegee van een hertog, een heel jaloerse oude man.’
‘Een protegee, charmant!’
‘Jazeker, een protegee,’ zei Prudence. ‘De arme stakker zou zich doodschamen als hij haar minnaar moest zijn.’
Prudence vertelde me hoe Marguerite in Bagnères kennis had gemaakt met de hertog.
‘Daarom zit ze daar alleen?’
‘Precies.’
‘Maar wie brengt haar thuis?’
‘Hij.’
‘Hij komt haar dus ophalen?’
‘Over een paar minuten.’
‘En wie brengt ú thuis?’
‘Niemand.’
‘Zal ik dat doen?’
‘Maar u bent met een vriend, dacht ik.’
‘Zullen we dan samen…?’
‘Wat is het voor iemand, die vriend?’
‘Een heel charmante kerel, heel geestig, en hij zal het leuk vinden kennis te maken.’
‘Goed, afgesproken, we vertrekken na dit nummer, want het slotstuk ken ik.’
‘Fijn. Ik zal mijn vriend waarschuwen.’
‘Ga maar.’
‘Wacht even,’ zei Prudence toen ik de loge wilde verlaten. ‘Daar heb je de hertog, die de loge van Marguerite binnenkomt.’
Ik keek.
Inderdaad. Een man van een jaar of zeventig nam plaats achter de jonge vrouw en overhandigde haar een zak snoep waar ze onmiddellijk met een glimlach een hand in stak. Daarna zette ze hem voor zich op de leuning van de loge terwijl ze een teken maakte naar Prudence dat je zou kunnen vertalen met:
‘Wil je ook?’
‘Nee,’ deed Prudence.
Marguerite pakte de snoepzak en draaide zich om, om met de hertog te praten.
Al deze details lijken je misschien kinderachtig, maar weet je, ze staan me nog zo scherp voor de geest…

zondag 16 juni 2019

16. Lachbuien in een loge

Toen ik haar loge binnenkwam, schaterde Marguerite net van het lachen.
Ik had liever gewilde dat ze treurig was.
Mijn vriend stelde me voor. Marguerite knikte en zei:
‘En mijn snoepjes?’
‘Hier.’
Ze pakte ze aan en nam me op. Ik sloeg mijn ogen neer en bloosde.
Ze boog zich naar het oor van haar vriendin en zei iets, heel zachtjes, en ze kregen allebei een lachbui. Het was duidelijk dat ik de oorzaak was van hun hilariteit en ik werd nog een keer zo verlegen. Ik had in die tijd als maîtresse een burgervrouwtje dat heel lief was en heel sentimenteel. Haar sentimentaliteit en haar melancholieke brieven maakten me soms aan het lachen. Nu begreep ik hoeveel verdriet ik haar daarmee deed en vijf minuten lang hield ik van haar zoals nog nooit iemand van een vrouw had gehouden.
Marguerite at van haar rozijnen zonder nog aandacht aan mij te besteden.
Mijn vriend probeerde mij te helpen in mijn belachelijke positie.
‘Je moet niet verbaasd zijn, Marguerite,’ zei hij, ‘als mijn vriend, de heer Duval, niets zegt. Hij is zo onder de indruk van je dat hij niet weet wat te zeggen.’
‘O, ik dacht eigenlijk dat meneer met je meekwam omdat je je verveelt als je hier alleen bent.’
‘Als dat zo was, zou ik Ernest niet hebben gezegd eerst uw toestemming te vragen om me voor te stellen.’
‘Dat was misschien alleen een kunstgreep om de zaak op de lange baan te houden?’
Iedereen die wel eens omgang heeft gehad met meisjes van het soort van Marguerite weet hoe graag ze mensen op het verkeerde been zetten en hoe graag ze mensen plagen die ze voor het eerst zien. Ik neem aan dat dat is om de vernederingen die ze zelf zo vaak moeten verdragen van hen die ze dagelijks zien.
Om ze van repliek te kunnen dienen moet je hun wereld dan ook een beetje kennen, en die kennis ontbrak mij toen. Bovendien, het beeld dat ik van Marguerite had, maakte dat ik haar opmerking scherper vond dan ze was. Ik was helemaal weg deze vrouw. Ik stond dan ook op en ik zei met een brok in mijn keel die ik onmogelijk kon verbergen:
‘Als u dat van mij denkt, mevrouw, dan kan ik u alleen maar mijn excuses aanbieden voor mijn gebrek aan discretie en afscheid nemen met de verzekering dat u dat niet nog een keer zal overkomen.’
Ik groette en vertrok.
Nauwelijks had ik de deur achter me gesloten of ik hoorde voor de derde keer een lachbui. Ik had op dat moment graag iemand gehad die me steunde.
Ik ging naar mijn plaats in de zaal.
Het einde van de pauze werd aangekondigd.
Ernest kwam weer bij me zitten.
‘Waarom ging je er vandoor?’ zei hij. ‘Ze denken dat je niet goed wijs bent.’
‘Wat zei Marguerite toen ik weg was?’
‘Ze lachte en zei dat ze nog nooit z’n rare snoeshaan had gezien. Maar je moet niet denken dat je verslagen bent. Je moet alleen dat soort meisjes niet al te serieus nemen. Ze hebben geen notie van elegantie en van goede manieren. Het is net als met honden die ze parfumeren: zelf vinden ze dat stinken en ze gaan in de goot rollen.’
‘Ach ja, wat kan het me schelen,’ zei ik, terwijl ik probeerde een onverschillige toon aan te slaan. ‘Ik zie haar nooit terug, en als ik haar leuk vond voordat ik kennismaakte, dan is dat nu ik haar ken wel anders geworden.'
‘Ha, ik heb de hoop nog niet verloren dat ik je vroeger of later achter in haar loge zie zitten, en dat ik hoor dat je je om haar hebt geruïneerd. Dat zou trouwens niet raar zijn. Ze is misschien niet heel goed opgevoed, maar als maîtresse schijnt ze leuk te zijn.’
Gelukkig ging het gordijn op en mijn vriend zweeg. Ik zou niet kunnen zeggen wat er die avond gespeeld werd. Alles wat ik me herinner is dat ik van tijd tot tijd naar de loge keek die ik zo bruusk had verlaten, en dat daar de ene na de andere nieuwe bezoeker te zien was.
Toch was het beslist niet zo dat ik niet meer aan Marguerite dacht. Een ander gevoel had zich van me meester gemaakt. Ik beet me vast in de gedachte dat ik haar de belediging en mijn geblunder moest laten vergeten. Ik zei tegen mezelf dat ik haar zou hebben en dat ik de plaats zou terugwinnen die ik zo gemakkelijk had prijsgegeven, al zou me dat alles kosten wat ik bezat.
Voordat de voorstelling was afgelopen verlieten Marguerite en haar vriendin de loge. Zonder nadenken verliet ook ik mijn plaats.
‘Ga je weg?’ zei Ernest.
‘Ja.’
‘Waarom?’
Maar toen zag hij dat de loge leeg was.
‘Wel, wel,’ zei hij. ‘Succes, of liever, méér succes.’
Ik vertrok.
Op de trap hoorde ik geritsel van japons en stemgeluiden. Ik verschool me, en zonder dat ik gezien werd, zag ik de twee vrouwen passeren en de twee jongemannen die hen begeleidden.
In de zuilengalerij van het theater werden ze opgewacht door een dienstmeisje.
‘Zeg tegen de koetsier dat hij op ons wacht bij het café Anglais,[1] zei Marguerite. ‘We gaan daar lopend heen.’
Ik bleef staan loeren op de boulevard, en enkele minuten later zag ik Marguerite aan het raam van een van de grote kabinetten bij het restaurant. Ze leunde op het balkon, en trok een voor een de blaadjes uit een van haar camelia’s. Een van de twee mannen hing over haar schouder en praatte zachtjes met haar.
Ik installeerde me in het Maison-d’Or[2] in een van de salons op de eerste verdieping en ik verloor het venster aan de overkant niet uit het oog. Om één uur in de nacht stapte Marguerite met haar gezelschap in haar koets.
Ik nam een open rijtuig en ik volgde haar.
De koets stopte rue d’Antin 9.
Marguerite stapte uit en ging alleen naar binnen.
Dat was ongetwijfeld toeval, maar het was een toeval dat me heel gelukkig maakte.


Sinds die dag kwam ik Marguerite regelmatig tegen, bij voorstellingen, op de Champs Elysées. Zij altijd vrolijk, ik altijd heel geëmotioneerd. Toen gingen er veertien dagen voorbij zonder dat ik haar ergens tegenkwam. Ik was bij Gaston en vroeg hem of hij er meer van wist.
‘Het arme kind is heel ziek,’ antwoordde hij me.
‘Wat scheelt haar?’’
'Wat haar scheelt is dat ze het aan de longen heeft, en dat ze, omdat ze een leven leidt dat haar niet beter zal maken, op bed ligt, en dat ze sterft.'
De wegen van het hart zijn ondoorgrondelijk. Ik was bijna blij over die ziekte.
Ik ging iedere avond vragen hoe het met de ziekte ging, zonder overigens mijn naam in haar gastenboek te schrijven of een kaartje achter te laten. Zo hoorde ik hoe ze opknapte en dat ze naar Bagnères ging.
Daarna verstreek de tijd. De indruk die ze had gemaakt, de herinnering, leek beetje bij beetje te verbleken. Ik maakte reizen. Ik kreeg gewoontes, verrichtte werkzaamheden die in plaats kwamen van de gedachte aan haar, en als ik dacht aan mijn eerste avontuur met haar, wilde ik daar niets meer in zien dan een van die verliefdheden die je hebt als je heel jong bent en waar je later om lacht.
Overigens was er weinig verdienste aan mijn triomf over die herinnering, want na haar vertrek naar Bagnères verloor ik Marguerite uit het oog, en zoals ik je heb verteld, toen ze me passeerde in de gang van het variététheater herkende ik haar niet eens.
Ze droeg een sluier, dat is waar, maar twee jaar eerder zou ik haar, ook met een sluier, onmiddellijk hebben herkend: ik zou haar identiteit hebben geraden.
Desondanks klopte mijn hart hevig toen ik hoorde dat zij het was. En toen ik haar japon aanraakte gingen de twee jaar dat ik haar niet had gezien en de vergetelheid die daar het gevolg van leek in één keer in rook op.


[Verder lezen]



[1] Café aan de Boulevard des Italiens, bekend om de salons en de privé-kabinetten op de entresol en de eerste verdieping.

[2] Of Maison Dorée, tegenover het café Anglais.

zaterdag 15 juni 2019

15. Een pond gesuikerde rozijnen

Ja, begon Armand, en hij leunde zijn hoofd tegen de rugleuning van zijn fauteuil, ja, het was een avond net zoals deze. Ik had die dag een uitstapje gemaakt met een van mijn vrienden, Gaston R…
’s Avonds waren we terug in Parijs en omdat we niets beters te doen hadden, gingen we naar het variététheater. In een van de pauzes liepen we even de zaal uit, en in de gang kwamen we een rijzige vrouw tegen. Mijn vriend groette haar.
‘Wie groet je daar?’ vroeg ik.
‘Marguerite Gautier,’ antwoordde hij.
‘Is ze erg veranderd? Ik herkende haar helemaal niet,’ zei ik met een geëmotioneerdheid die je dadelijk duidelijk zal worden.
‘Ze is ziek geweest. Ze zal het niet lang meer maken, de arme meid.’
Ik herinner me die woorden als de dag van gisteren. Je moet namelijk weten dat ik al twee jaar als ik dat meisje zag een heel vreemde ervaring had. Ik werd bleek en ik had hevige hartkloppingen, zonder dat ik wist waarom. Een van mijn vrienden die zich bezig houdt met occulte zaken zou wat ik voelde misschien kwalificeren in termen van affiniteit tussen vloeistoffen. Zelf denk ik dat ik gewoon was voorbestemd om verliefd te worden op Marguerite.
Zoveel is zeker dat ze me dit soort ervaringen bezorgde. Verscheidene vrienden van mij merkten dat op, en vaak moesten ze lachen als ze zagen dat ik er weer aan ten prooi was.


De eerste keer dat ik Marguerite zag was op de place de la Bourse, bij de porte de Susse.[1] Er was daar een rijtuig met een open kap gestopt en een vrouw gekleed in opaakwit stapte uit. Toen ze de winkel binnenging was er een geroezemoes van bewondering te horen. Zelf stond ik aan de grond genageld, vanaf het ogenblik dat ze de winkel binnenging tot ze weer naar buiten kwam. Ik zag door de vitrages hoe ze binnen bezig was te kiezen wat ze kwam kopen. Ik had naar binnen kunnen gaan, maar ik durfde niet. Ik wist niet wie die vrouw was en ik was bang dat ze zou raden waarom ik binnenkwam en er zich aan zou ergeren. Toch had ik toen niet het idee dat ik haar koste wat kost terug wilde zien.
Haar kleding was elegant. Ze droeg een japon van mousseline met overal ruches, een sjaal van indiazijde met goudborduursel aan de zijkanten, een Italiaanse strohoed en één enkele armband, een ketting met dikke schakels van goud zoals dat in die tijd net in de mode kwam.
Ze stapte weer in haar koets en vertrok.
Een van de winkeljongens bleef in de deur staan, terwijl hij de koets met de elegante klant nakeek. Ik ging naar hem toe en vroeg hem hoe die vrouw heette.
‘Dat is mevrouw Marguerite Gautier,’ zei hij.
Ik durfde niet naar het adres te vragen, en ik liep weg.
De herinnering aan dit visioen – want een visioen was het! – liet me niet los. En ik begon overal uit te kijken naar deze vrouw in wit, met haar koninklijke schoonheid.


Een paar dagen later vond er een belangrijke voorstelling plaats in de Opéra Comique. Ik ging er heen. De eerste persoon die ik zag, in een loge aan de voorkant van het balkon,[2] was Marguerite Gautier.
De jongeman met wie ik er was herkende haar ook want hij zei, terwijl hij me haar naam noemde:
‘Kijk toch eens hoe leuk ze er uitziet.’
Op datzelfde moment richtte Marguerite haar lorgnet onze kant op en ze werd mijn vriend gewaar. Ze glimlachte naar hem en gebaarde dat hij haar kon komen opzoeken.
‘Ik ga haar even dag zeggen,’ zei hij. ‘Ik ben zo terug.’
Ik kon me er niet van weerhouden te zeggen: ‘Je bent wel een geluksvogel.
‘Hoe zo?’
‘Dat je die dame mag bezoeken.’
‘Ben je verliefd op haar?’
‘Nee,’ zei ik blozend, want ik wist werkelijk niet wat voor gevoelens ik koesterde, ‘maar ik zou haar graag leren kennen.’
‘Kom maar mee, dan stel ik je voor.’
‘Vraag haar dan eerst of ze dat wel goed vindt.’
‘Verdraaid zeg, je hoeft je bij haar heus niet verlegen te voelen. Kom maar mee.’
Wat hij zei deed me verdriet. Ik was doodsbenauwd dat zou blijken dat Marguerite mijn gevoelens niet waard was. Er is een verhaal van Alphonse Karr,[3] Am Rauchen, waarin een man op een avond een heel elegante vrouw volgt, die zo mooi is dat hij op het eerste gezicht verliefd is. Hij voelt zich tot alles in staat als hij haar hand maar mag kussen. Hij durft nauwelijks naar de kous te kijken van het kokette been dat ze laat zien als ze haar japon optilt om te voorkomen dat die over straat sleept. Terwijl hij droomt van alles wat hij zou doen om deze vrouw te veroveren, blijft ze op een straathoek stilstaan en vraagt hem of hij met haar meegaat.
Hij wendt zich af, steekt de straat over en gaat dieptreurig naar huis.
Ik herinnerde me dat verhaal, en voelde me net zo. Ik wilde lijden voor deze vrouw, en ik was benauwd dat ze me te gemakkelijk een liefde zou gunnen die ik wilde winnen door trouw op haar te wachten, of door een groot offer te brengen. Zo zijn we nu eenmaal, wij mannen, en het is maar goed dat de verbeelding ons deze poëzie gunt, dat de lichamelijke verlangens deze concessie doen aan de dromen van ons hart.
Als iemand had gezegd: ‘Vanavond zult u deze vrouw bezitten, en morgen zult u gedood worden,’ dan had ik ja gezegd. Als iemand zou zeggen: ‘Geef tien Louis d’or[4] en ze is van jou,’ dan zou ik geweigerd hebben en in tranen zijn uitgebarsten, als een kind dat bij het wakker worden het kasteel ziet verdwijnen van zijn dromen.
Toch wilde ik kennismaken. Het was een manier, het was de enige manier om er achter te komen wat ik van haar moest denken. Ik zei dus tegen mijn vriend dat ik echt wilde dat hij haar toestemming vroeg en ik ijsbeerde in de gang terwijl ik me voorstelde dat ze me zo dadelijk zou ontvangen en dat ik niet zou weten hoe ik me tegenover haar moest gedragen.
Ik probeerde de zinnetjes uit die ik tegen haar zou zeggen.
Wat kinderlijk kan de liefde zijn!
Een ogenblik later kwam mijn vriend weer naar beneden.
‘Ze wacht op ons,’ zei hij.
‘Is ze alleen?’ vroeg ik.
‘Met een andere vrouw.’
‘En er zijn geen mannen?’
‘Nee.’
‘Kom mee.’
Mijn vriend liep naar de ingang van het theater.
‘Daar is ze niet, hoor,’ zei ik.
‘We gaan snoep kopen. Dat vroeg ze.’
We gingen naar een chocolatier in de passage de l’Opéra.
Ik wilde de hele winkel wel leegkopen, en ik keek al rond wat ik kon kopen om een snoepzak te vullen. Maar mijn vriend vroeg:
‘Een pond gesuikerde rozijnen.’
‘Weet je of ze die lekker vindt?’
‘Ze eet nooit iets anders, dat is bekend.’
Toen we weer buiten waren vroeg hij: ‘Weet je eigenlijk wel aan wat voor vrouw ik je voorstel? Stel je niet voor dat het een hertogin is of zo, het is gewoon een meisje van plezier, vriend. Als er één vrouw is die wordt onderhouden door minnaars, dan is zij het. Wees dus niet verlegen en zeg gewoon alles wat je voor de mond komt.
‘Ja, ja,’ stamelde ik en ik liep achter hem aan, terwijl ik bij mezelf dacht dat ik zo dadelijk genezen zou worden van mijn passie.


[Verder lezen]



[1] Een modewinkel, in deze periode een trefpunt van gelieven.

[2] Een prominente plaats.

[3] Alphonse Karr, 1808–1890, journalist en schrijver.

[4] Een louis d’or was in de tijd waarin de roman speelt de naam voor een muntstuk van 20 franc.

vrijdag 14 juni 2019

14. Een simpel verhaal

Ziektes zoals die van Armand hebben het voordeel dat ze je in een ommezien doden of dat je er vlug weer bovenop komt. Veertien dagen na de gebeurtenissen waarvan ik hier verslag heb gedaan was Armand goed aan het opknappen en waren we verbonden door een hechte vriendschap. Tijdens zijn ziekte had ik zijn kamer nauwelijks verlaten.
De lente was gekomen met zijn overvloed aan bloemen, met bladeren aan de bomen, vogelgezang, en de vensters van de kamer van mijn vriend stonden open op zijn tuin, waarvandaan de zoete geuren van het voorjaar naar hem opstegen.
De dokter had hem toegestaan op te staan en vaak zaten we ’s middags, als de zon op zijn warmst is, van twaalf tot twee, bij het open raam te praten.
Ik paste goed op niet over Marguerite te beginnen, want ik was nog steeds bang dat haar naam droeve herinneringen zou wekken die schuilgingen onder het kalme uiterlijk van de zieke. Armand echter leek er plezier in te hebben over haar te praten, niet meer zoals vroeger, met tranen in de ogen, maar met een berustende glimlach die me geruststelde over zijn geestesgesteldheid.
Ik had gemerkt dat, na zijn laatste bezoek aan het kerkhof en de crisis die was veroorzaakt door wat we gezien hadden, door zijn ziekte, de maat van zijn droefheid als het ware gevuld was en dat de dood van Marguerite wat op de achtergrond was geraakt. Er was een soort berusting over hem gekomen en hij verdreef de somberheid die hem soms nog overviel met gelukkige herinneringen aan zijn liaison. Het leek wel of hij alleen die herinneringen nog een plaats gaf.
Zijn lichaam was door de koorts, maar ook door het proces van genezing, nog zozeer verzwakt dat hij hevige emoties niet verdroeg, maar de jubelstemming van de lente zorgde ervoor dat zijn gedachten zich desondanks richtten op plezierige beelden.
Hij had steeds koppig geweigerd zijn familie op de hoogte te stellen van het gevaar waarin hij verkeerde, en zelfs toen hij al beter was, wist zijn vader nog niet dat hij ziek was geweest.
Op een avond hadden we wat langer bij het raam gezeten dan we gewend waren. Het was prachtig weer geweest en de zon verdween in een zonsondergang die schitterde van azuur en goud. We waren in Parijs, maar het groen om ons heen schermde ons af van de drukte en terwijl we praatten drong er maar zo nu en dan het geluid van een rijtuig tot ons door.
‘Het was ongeveer in deze tijd van het jaar, en op een avond zoals deze, dat ik Marguerite leerde kennen,’ zei Armand, die zozeer in de ban was van zijn eigen gedachten, dat hij niets hoorde van wat ik zei.
Ik antwoordde niet.
Toen keek hij me aan en zei:
‘Ik moet je dit verhaal echt vertellen. Je kunt er een boekje van maken, dat natuurlijk niemand gelooft, maar dat je misschien leuk vindt om te maken.’
‘Vertel me dat later maar een keer, mijn vriend,’ zei ik. ‘Nu ben je nog niet genoeg hersteld.’
'Het is een warme avond en ik heb braaf mijn kipfilet gegeten,’ glimlachte hij. ‘Ik heb geen koorts meer, en we hebben niets te doen. Ik ga je alles vertellen.’

‘Goed dan, als je dat per se wilt, dan zal ik luisteren.’
‘Het is maar een simpel verhaal,’ ging hij verder, ‘en ik zal je het in chronologische volgorde vertellen. Als je er later iets mee wilt doen, voel je dan vrij om er aan te veranderen wat je wilt.’
Dit is het aangrijpende verhaal dat mij me vertelde, en ik heb er nauwelijks iets aan veranderd.

donderdag 13 juni 2019

13. Herbegrafenis

Een half uur later waren we op Montmartre.
Er wachtte al een politiefunctionaris op ons.

Langzaam gingen we op weg naar het graf van Marguerite, de politieman liep voorop, Armand en ik volgden hem op een paar passen.
Van tijd tot tijd voelde ik hevige bevingen door de arm trekken van mijn metgezel. Dan keek ik hem aan. Hij begreep mijn blik en glimlachte, maar vanaf het moment dat we van zijn huis waren vertrokken hadden we geen woord meer gewisseld.
Vlak voordat we bij het graf waren, stopte Armand om zijn gezicht af te vegen, waarop grote zweetdruppels parelden. Ik moest zelf ook even op adem komen, want mijn hart voelde alsof het in een tang zat.
Wat is het voor een duistere wellust die wordt gewekt door zo’n schouwspel? Toen we bij het graf waren, had de tuinman alle bloemen weggehaald, het hekwerk was verwijderd en twee mannen waren in de weer met spaden.
Armand leunde tegen een boom en keek toe.
Het enige aan hem dat nog leek te leven waren zijn ogen.
Plotseling raakte een van de spaden een steen.
Op dat geluid deinsde Armand terug of hij een elektrische schok kreeg. Hij kneep met zoveel kracht in mijn hand dat hij me pijn deed.
Een van de grafdelvers pakte een grote schop en schepte de laatste aarde weg, tot hij bij de stenen kwam die men op de kist legt. Hij gooide die een voor een op de kant.
Ik hield Armand in de gaten, want ik was bang dat hij ieder ogenblik kon breken onder de intensiteit van zijn gevoelens. Maar hij stond nog steeds te kijken, zijn blik strak, zijn ogen wijd opengesperd als een krankzinnige. Alleen een lichte beving van zijn wangen en zijn lippen verried dat hij ten prooi was aan een hevige zenuwencrisis. Wat mijzelf betreft, ik kan alleen maar zeggen dat ik het betreurde dat ik was gekomen.
Toen de kist helemaal was blootgelegd, zei de politieman tegen de grafdelvers:
‘Maak maar open.’
Ze gehoorzaamden, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was.
De kist was van eikenhout, en ze begonnen de bovenkant los te schroeven, die de deksel vormde. De vochtigheid van de aarde had de schroeven doen roesten en het kostte enige moeite om de kist te openen. Er kwam een akelige stank naar buiten.
‘O mijn god, o mijn god,’ hijgde Armands en hij werd nog bleker.
Een groot wit laken bedekte het lijk, en daaronder was iets van lichaamsvormen zichtbaar. Aan de uiteindes was de lijkwade bijna helemaal verteerd, en daar was een voet van de dode zichtbaar.
Ik werd bijna ziek, en op het moment dat ik deze regels schrijf zie ik de scene weer voor me in al zijn schrikbarende werkelijkheid.
‘Laten we opschieten,’ zei de politieman.
Een van de twee delvers strekte zijn hand uit en begon de lijkwade los te maken. Hij pakte een hoek en onthulde met een bruuske beweging het gezicht van Marguerite.
Het was verschrikkelijk om te zien, het is verschrikkelijk om te vertellen.
De ogen waren twee gaten, de lippen waren verdwenen, de tanden, wit, op elkaar geklemd. De lange haren, zwart, droog, plakten aan de slapen en bedekten enigszins de groene gaten waar de wangen waren geweest, en toch herkende ik in dit gezicht het witte en rose en vrolijke gezicht dat ik zo vaak gezien had.
Armand, die zijn blik niet van de aanblik kon afwenden, had zijn zakdoek naar zijn mond gebracht en kauwde erop. Wat mij betreft, ik had het gevoel dat een ijzeren ring mijn hoofd afknelde, mijn oren suisden en het enige wat ik kon doen was het openen van een reukflesje dat ik op goed geluk had meegebracht en de geuren krachtig inademen.
In die verbijstering hoorde ik de politieman tegen de heer Duval zeggen:
‘U herkent haar?’
‘Ja,’ antwoordde de jongeman dof.
‘Goed. Dichtmaken en wegbrengen,’ zei de politiefunctionaris.
De grafdelvers trokken de lijkwade weer over het gezicht van de dode, ze sloten de kist, pakten allebei een kant en begaven zich naar de plek die men hun had aangewezen.
Armand bewoog niet. Zijn ogen waren aan de lege kuil gekluisterd. Hij was net zo bleek als het kadaver dat we gezien hadden…
Versteend, leek het wel.
Ik begreep wat er zou gebeuren als de smart verminderde doordat het schouwspel ten einde was en ik liet hem los.
Ik ging naar de politieman.
‘Is de aanwezigheid van meneer nog nodig’ zei ik, terwijl ik op Armand wees.
‘Nee,’ zei hij. ‘En ik raad u aan hem mee te nemen, want ik geloof dat hij ziek is.’
‘Kom,’ zei ik tegen Armand, terwijl ik hem bij de arm nam.
‘He?’ Hij keek me aan of hij mij niet herkende.
‘Het is afgelopen,’ zei ik. ‘We moeten gaan, beste vriend, je bent bleek, je bent koud. Deze emoties zullen nog je dood zijn.’
‘Je hebt gelijk, laten we gaan,’ antwoordde hij werktuigelijk, maar zonder zich te bewegen.
Ik pakte hem bij de arm en trok hem mee.
Hij liet zich meenemen als een kind. Hij mompelde alleen van tijd tot tijd:
‘Heb je de ogen gezien?’
En dan draaide hij zich om, alsof de herinnering hem terugriep.
Zijn bewegingen werden steeds houteriger. Het leek of hij alleen nog maar met schokken vooruit kwam. Zijn tanden klapperden, zijn handen waren koud, een hevige agitatie leek zich van hem meester te hebben gemaakt.
Ik zei iets tegen hem, maar hij antwoordde niet.
Hij kon zich alleen nog maar laten meevoeren.
Bij de ingang van het kerkhof wachtte een rijtuig op ons. Het was hoog tijd. Hij had nog maar nauwelijks plaatsgenomen, of hij begon hevig te beven en hij had een complete zenuwaanval. Maar hij wilde mij niet bang maken dus mompelde hij, terwijl hij me de hand drukte:
‘Het is niet, het is niets, ik wou dat ik kon huilen.’
En ik hoorde hoe zijn borstkas opzwol, ik zag hoe het bloed hem naar de ogen steeg, zonder dat de tranen kwamen. Ik liet hem ruiken aan het flesje die ik bij me had, en toen we bij zijn huis waren beefde hij alleen nog maar.
Met hulp van zijn bediende stopte ik hem in bed en ik liet een groot vuur aanleggen in de haard. Daarna haalde ik haastig mijn arts, die ik vertelde wat zich had afgespeeld.
Armand was helemaal purperrood, hij was in een staat van delirium en stamelde onsamenhangende woorden, waaronder alleen de naam van Marguerite herkenbaar was.
‘En?’ vroeg ik de dokter, nadat hij hem had onderzocht.
‘Ja, hij heeft een hersenkoorts, niet meer en niet minder, en dat is, denk ik, een gunstige omstandigheid, want hij zou, zo helpe me god, gek geworden zijn. Maar de lichamelijke ziekte zal de geestesziekte doden. Over een maand is hij genezen van zijn lichamelijke kwaal, en misschien ook van de andere.’


[Verder lezen]

woensdag 12 juni 2019

12. 'U hebt koorts'

Ik trof Armand aan in bed.
Toen hij me een hand gaf, voelde ik hoe heet die was.
‘U hebt koorts,’ zei ik.
‘Het stelt niets voor. De vermoeienis van een snelle reis.’
‘U bent bij Marguerites zuster geweest?’
‘Ja, hoe weet u dat?’
‘Ik weet het. En, hebt u wat u wilde?’
‘Ja, ja. Maar wie heeft u verteld van mijn reis en van het doel ervan?’
‘De tuinman van het kerkhof.’
‘Hebt u het graf gezien?’
Ik durfde nauwelijks te antwoorden. De toon waarop hij me deze vraag stelde maakte duidelijk dat hij nog steeds ten prooi was aan de gevoelens waarvan ik eerder getuige was geweest. Dat hij, iedere keer als een gedachte of iets wat iemand hem zei hem dat droevige onderwerp weer in gedachten bracht, zijn emoties hem teveel werden. Ik antwoordde dus alleen door te knikken.
‘Heeft hij er goed voor gezorgd?’ vroeg Armand. Twee grote tranen rolden over zijn wangen en hij wendde zijn hoofd af om ze voor me te verbergen. Ik deed of ik niets zag en probeerde van gespreksonderwerp te veranderen.
‘Drie weken bent u weggeweest,’ zei ik.
Armand veegde zijn ogen af en antwoordde:
‘Precies drie weken.’
‘Een lange reis.’
‘O, ik was niet steeds op reis. Ik was twee weken ziek, anders was ik al lang terug geweest. Maar ik was daar nog maar net toen ik koorts kreeg en het bed moest houden.’
‘En u bent teruggekomen voordat u helemaal beter was.’
‘Als ik daar nog een week was gebleven was dat mijn dood geweest.’
‘Maar nu bent u terug, en u moet voor uzelf zorgen. Uw vrienden zullen u komen opzoeken. En ik als eerste, als u het goedvindt.’
‘Over twee uur sta ik op.’
‘Hoe durft u!’
‘Het moet.’
‘Wat moet er gebeuren dat zoveel haast heeft?’
‘Ik moet naar het politiebureau.’
‘Laat iemand anders dat voor u doen. Zo’n bezoek zou u allicht nog zieker maken.’
‘Het is het enige waardoor ik beter kan worden. Ik moet haar zien. Vanaf het moment dat ik hoorde van haar dood, en vooral vanaf het moment dat ik haar graf zag, slaap ik niet meer. Ik kan alleen maar bedenken dat die vrouw, die ik heb verlaten toen ze zo jong was, zo mooi, nu dood is. Ik moet zien wat er is geworden van dat wezen dat ik zo heb liefgehad. Misschien dat de afschuw van die aanblik de wanhoop van de herinnering zal vervangen. U gaat met me mee, he? Als u het niet al te naar vindt.’
‘Wat heeft haar zuster gezegd?’
‘Niets. Ze leek heel verbaasd dat een buitenstaander grond wilde kopen en een graf wilde regelen voor Marguerite. De toestemming die ik wilde heeft ze me onmiddellijk gegeven.’
‘Luister naar me, stel die verplaatsing uit tot u helemaal genezen bent.’
‘Ik zal sterk zijn, echt. Ik zou trouwens gek worden als ik mijn beslissing niet dadelijk uitvoerde. Het is een hartsbehoefte geworden. Ik zweer het u, ik zal geen rust hebben totdat ik Marguerite heb gezien. Het is misschien een dorst die bij de hitte van mijn koorts hoort, een droom die voortkomt uit mijn slapeloosheid, een gevolg van mijn delirium. Maar al moet ik net als meneer de Rancé in het klooster gaan na te hebben gekeken, ik zal kijken.’[1]
‘Ik begrijp u,’ zei ik, ‘en ik sta u helemaal ter beschikking. Hebt u Julie Duprat gezien?’
'O hemel ja, dadelijk, op de dag dat ik voor het eerst terug was in Parijs.'
'Heeft ze u de papieren ter hand gesteld die Marguerite haar voor u had toevertrouwd?’
‘Hier heb ik ze.’
Armand trok een bundel papieren onder zijn hoofdkussen vandaan, en stopte die onmiddellijk weer terug.
‘Ik weet uit mijn hoofd wat er in deze papieren staat,’ zei hij. ‘Ik herlees ze dagelijks, nu al drie weken. Ik zal ze u ook laten lezen, maar later, als ik rustiger ben en als ik u duidelijk kan maken hoeveel hart, hoeveel liefde uit deze bekentenis blijkt. Voor dit moment moet ik u iets vragen.’
‘En dat is?’
‘Hebt u een rijtuig hier beneden?’
‘Ja.’
‘Ha, fijn. Wilt u dan mijn paspoort meenemen en bij het postkantoor vragen of er brieven voor mij zijn? Mijn vader en mijn zuster hebben me waarschijnlijk geschreven, maar ik ben zo haastig vertrokken dat ik me niet de tijd gunde om voor mijn vertrek te gaan kijken. Als u terug bent, gaan we samen de politie inschakelen voor de plechtigheid, morgen.’
Armand overhandigde mij zijn paspoort, en ik ging naar de rue Jean-Jacques-Rousseau. Er waren twee brieven op de naam van Duval, ik nam ze in ontvangst en ik ging terug.
Toen ik weer verscheen trof ik Armand geheel gekleed aan, en klaar om uit te gaan.
‘Dank u,’ zei hij, terwijl hij de brieven in ontvangst nam.
‘Ja,’ voegde hij daar aan toe, nadat hij naar de afzenders had gekeken. ‘Ja, ze zijn van mijn vader en van mijn zuster. Ze vragen zich ongetwijfeld af waarom ik niets van me laat horen.’
Hij opende de brieven en keek ze zo vluchtig door dat hij ze eerder raadde dan las: ze waren allebei vier kantjes lang, maar in een ommezien vouwde hij ze weer op.
‘Kom,’ zei hij. ‘We gaan. Morgen beantwoord ik ze.’
We gingen naar het commissariaat van politie en Armand overhandigde de toestemming van Marguerites zuster. Hij kreeg van de politie een akkoordverklaring voor de kerkhofbewaarder. Er werd afgesproken dat de verplaatsing de volgende dag zou plaatsvinden, om tien uur ’s ochtends. Ik zou Armand een uur van tevoren afhalen en we zouden samen naar het kerkhof gaan.
Ik was ook benieuwd wat ik te zien zou krijgen, en ik beken dat ik die nacht niet sliep. Als ik afga op de gedachten die mijzelf bekropen, moet het voor Armand een lange nacht geweest zijn. Toen ik de volgende ochtend om negen uur bij hem kwam, was hij afschuwelijk bleek, maar hij leek rustig. Hij glimlachte en gaf me een hand. De kaarsen op zijn kamer waren helemaal opgebrand, en voor we de deur uitgingen pakte Armand een dikke brief, geadresseerd aan zijn vader, waaraan hij ongetwijfeld zijn gedachten van die nacht had toevertrouwd.
Een half uur later waren we op Montmartre.


[Verder lezen]



[1] Jean de Rancé trad in in een trappistenklooster, geschokt door de aanblik van zijn opgebaarde minnares, Madame de Montbazon.

dinsdag 11 juni 2019

11. Een zee van witte camelia's

Het was april en het was mooi weer. De graven op het kerkhof van Montmartre zouden er niet meer zo somber en verlaten bijliggen als in de winter. Het was zelfs zo zacht dat het was te verwachten dat de levenden zich de doden herinnerden en ze kwamen bezoeken. Ik ging naar het kerkhof en ik zei tegen mezelf: ik hoef het graf van Marguerite maar te zien en ik weet of Armands verdriet nog leeft, en misschien kom ik zelfs te weten wat er van hem is geworden.
Ik ging het kantoortje binnen van de bewaarder van het kerkhof en ik vroeg hem naar een vrouw die Marguerite Gautier heette en die op 22 februari was begraven.
De man bladerde door een dik boek waar al degenen die op dit laatste toevluchtsoord terecht komen worden ingeschreven en genummerd. Hij antwoordde dat er inderdaad op 22 februari om twaalf uur ’s middags een vrouw met die naam was begraven.
Ik vroeg of iemand me naar het graf kon brengen, want zonder gids is het onmogelijk de weg te vinden in die dodenstad. De bewaarder riep een van de tuinlieden en begon uit te leggen waar het was. Maar de man onderbrak hem en zei: ‘Ik weet het, ik weet het.’ Hij wendde zich tot mij en vervolgde: ‘Het graf is gemakkelijk te herkennen.’
‘Hoezo?’
‘Er liggen heel andere bloemen dan op de andere graven.’
‘Zorgt u daarvoor?’
‘Ja, meneer. En ik wilde dat alle verwanten zo goed voor hun overledenen zorgden als de jongeman die haar aan mij heeft toevertrouwd.’
Na een paar afslagen stopte de tuinman en zei:
‘Hier is het.’
Wat ik zag was een vierkant met bloemen, waarvan je niet zou hebben gedacht dat het een graf was als er geen grafsteen was geweest met haar naam.
Het was een staande steen, en het stuk grond dat voor het graf was gekocht was afgezet met een metalen hekwerk. Daartussen een zee van witte camelia’s.
‘Wat zegt u ervan?’ vroeg de tuinman.
‘Het is heel mooi.’
‘En zodra er een camelia verwelkt, moet ik hem vervangen door een andere.’
‘En wie heeft u die opdracht gegeven?’
‘Een jongeman die heel erg heeft staan huilen, de eerste keer dat hij hier kwam; een ex van de dode ongetwijfeld, want het schijnt dat zij er wel eentje was. Ze zeggen dat ze heel knap was. Heeft u haar gekend?’
‘Ja.’
‘Net als die andere,’ zei de tuinman met een veelbetekenend lachje.
‘Nee, ik heb nooit met haar gesproken.’
‘Maar u komt haar hier opzoeken. Dat is heel aardig van u, want het loopt hier bepaald niet storm met bezoekers.’
‘Er komt dus niemand?’
‘Niemand, behalve die jongeman, die één keer is geweest.’
‘Eén keer maar?’
‘Ja, meneer.’
‘En hij is niet meer teruggekomen?’
‘Nee, maar hij komt terug als hij weer in de stad is.’
‘Hij is dus op reis?’
‘Ja.’
‘En u weet waar hij is?’
‘Hij is geloof ik bij de zuster van mevrouw Gautier.’
‘Wat doet hij daar?’
‘Hij is er om haar toestemming te vragen om de dode op te graven, om haar lichaam te verplaatsen.’
‘Waarom laat hij haar niet hier liggen?’
‘Zo gaat dat meneer, men heeft gewoon ideeën over de doden. We zien dat iedere dag, wij hier. Dit stuk grond is gekocht voor maar vijf jaar, en die jongeman wil een permanente plek en een groter stuk grond; de nieuwe afdeling zal meer naar zijn zin zijn.’
‘Wat is dat, die nieuwe afdeling?’
‘De nieuwe percelen die momenteel in de verkoop zijn, daar links. Als het kerkhof altijd zo goed onderhouden was als nu, zou het zijn gelijke op de wereld niet hebben, maar er valt nog een boel te doen voordat alles is zoals het hoort te zijn. En dan, de mensen zijn zo hopeloos…’
‘Wat bedoelt u?’
‘Wat ik wil zeggen is dat er mensen zijn die op hun status staan tot op het kerkhof. Deze juffrouw Gautier, het schijnt dat ze min of meer in het leven is geweest, neemt u me niet kwalijk. Maar nu is de arme meid dood. Er is van haar precies net zoveel van over als van degenen op wie niets aan te merken valt, en van wie we het graf alle dagen verzorgen. Maar o, o, zodra de familie van degenen die naast haar zijn begraven hoorde wie ze was, waren er die er bezwaar tegen maakten dat ze hier was neergelegd en die vonden dat er, net als voor de armen, een apart hoekje moest zijn voor dat soort vrouwen. Het is toch niet te geloven! En ik heb ze wel opgemerkt hoor. Dikke renteniers, die nog niet vier keer per jaar hun doden komen bezoeken en die zélf bloemen meenemen. En dan moet je zien wat voor bloemen! Ze beknibbelen op het onderhoud van het graf van hen die ze zeggen te bewenen. Ze schrijven op de grafstenen tranen die ze nooit gestort hebben. En dat soort lui maakt problemen over de buren. Geloof me of niet, meneer, ik kende deze juffrouw niet, ik weet niet wat ze heeft gedaan, maar toch, ik houd van haar, het arme kind, ik zorg voor haar, ze krijg haar camelia’s voor de beste prijs. Ze is mijn lievelingsdode. Wij hier, meneer, wij moeten wel van de doden houden, want we hebben het er zo druk mee dat we bijna geen tijd overhouden voor iets anders.’
Ik keek de man aan, en sommige lezers zullen, zonder dat ik dat hoef uit te leggen, misschien begrijpen hoe geëmotioneerd ik was bij wat ik hoorde. Hij merkte dat ongetwijfeld, want hij vervolgde:
‘Ze zeggen dat er mannen zijn die zich geruïneerd hebben voor dit meisje, en dat ze minnaars had die haar aanbaden. Misschien, maar als ik bedenk dat er niet één is die maar een bloem voor haar komt kopen, dan vind ik dat opvallend, en ook triest. En dan nog, ze heeft niet te klagen. Want ze heeft een graf, en ook al is er maar één die aan haar denkt, hij doet dat ook voor de anderen. We hebben hier arme meisjes van hetzelfde soort en van dezelfde leeftijd die in het armengraf worden gegooid, en dat breekt me het hart, als ik hoor hoe hun arme lichamen in de kuil vallen. En niemand die zich om hen bekommert als ze eenmaal dood zijn. Het is niet altijd een pretje, ons beroep, vooral als we nog iets van gevoel overhebben. Maar wat wilt u? Het is sterker dan mij. Ik heb een mooie dochter die twintig jaar is, en altijd als er hier een dode wordt gebracht van haar leeftijd denk ik aan haar, en of het nu een rijke dame is of een bedelares, ik blijf er niet onbewogen bij.
Maar ik verveel u waarschijnlijk met mijn praatjes, u bent hier niet gekomen om daar naar te luisteren. Ze zeiden dat ik u naar het graf van mevrouw Gautier moest brengen en dat heb ik gedaan, kan ik nog iets anders voor u doen?’
‘Weet u het adres van meneer Armand Duval?’ vroeg ik.
‘Ja, hij woont aan de Rue … Dat is tenminste waar ik heen ben gegaan voor de betaling van de bloemen die u hier ziet.’
‘Bedankt, vriend.’
Ik wierp een laatste blik op dit bebloemde graf, en ik dacht mijns ondanks dat ik erin zou willen kijken om te zien wat de aarde had aangericht met het mooie schepsel dan men haar had toegeworpen. En toen ik wegliep was ik diep geroerd.
‘Wilt u meneer Duval bezoeken?’ vroeg de tuinman, die met me meeliep.
‘Ja.’
‘’Ik vraag het omdat ik eigenlijk wel zeker weet dat hij niet in Parijs is. Anders had ik hem hier wel gezien.’
‘U weet zeker dat hij Marguerite niet vergeten is?’
‘Ik weet het zeker. En sterker nog, ik durf te wedden dat hij haar graf wil verplaatsen omdat hij haar nog een keer wil zien.’
‘Wat bedoelt u?’
‘Het eerste wat hij tegen me zei op het kerkhof was: “Hoe kan ik haar nog een keer te zien krijgen?” Maar dat kan alleen als een graf wordt verplaatst, en ik heb hem uitgelegd aan welke formaliteiten dan moet worden voldaan. Want u snapt natuurlijk wel dat een dode bij een verplaatsing geïdentificeerd moet worden, er is toestemming van de familie nodig, en bij de verplaatsing moet een politiefunctionaris aanwezig zijn. Het is om die toestemming te krijgen dat meneer Duval naar de zus van mevrouw Gautier is gegaan, en als hij terug komt, is het eerste wat hij doet ongetwijfeld een bezoek hier.
We waren bij de ingang van het kerkhof. Ik bedankte de tuinman nog een keer en stopte hem een paar muntstukken toe. Daarna ging ik naar het adres dat hij me had gegeven.
Armand was nog niet terug.
Ik liet een berichtje voor hem achter, waarin ik hem vroeg langs te komen als hij er weer was, of me te laten weten waar ik hem kon vinden.
De volgende ochtend kreeg ik een brief van Duval waarin hij me meedeelde dat hij terug was, en me vroeg bij hem langs te komen: de reis had hem uitgeput, en hij was niet in staat uit te gaan.


[Verder lezen]

maandag 10 juni 2019

10. Het kerkhof van Montmartre

Er ging geruime tijd voorbij zonder dat ik iets hoorde van Armand.
Marguerite daarentegen kwam herhaaldelijk ter sprake. Ik weet niet of u het ooit gemerkt hebt, zodra je de naam van iemand die je niet kent, of die je onverschillig is, maar één keer hebt gehoord, komen de details zich beetje bij beetje om die naam heen groeperen en al je vrienden beginnen, anders dan vroeger, te praten over dingen die met hem of haar te maken hebben. Je komt erachter dat de persoon in kwestie vlak bij je stond, dat hij of zij heel wat keren door je leven is gelopen zonder dat je het merkte, je ontdekt in dingen die over hem of haar worden verteld allerlei toevalligheden, allerlei overeenkomsten met je eigen bestaan.
Met Marguerite ging het niet precies zo. Ik had haar immers gezien, haar ontmoet, ik kende haar van gezicht en ik was op de hoogte van haar gewoontes. Toch, sinds die veiling kwam haar naam vaak voorbij, en na wat ik heb verteld in het vorige hoofdstuk was die naam geassocieerd geraakt met een verdriet dat zo heftig was dat ik verbaasd en nieuwsgierig was geworden.
Het draaide erop uit dat ik vrienden met wie ik nooit over Marguerite had gepraat bijna standaard vroeg:
‘Heb jij iemand gekend die Marguerite Gautier heette?’
‘De dame van de camelia’s?’
‘Precies.’
‘Ja, heel goed.’
Dat ‘heel goed’ ging vaak gepaard met een glimlach die niets te raden overliet.
‘Ha, en wat vond je van haar?’
‘Een aardige meid.’
‘Dat is alles?’
‘Mijn god! Ja. Wat geestiger, en misschien met wat meer hart dan de anderen.’
‘Maar verder weet je niets over haar?’
‘Ze heeft baron de G. geruïneerd.’
‘Dat is alles?’
‘Ze was de maîtresse van de oude hertog van ….’
‘Echt zijn maîtresse?’
‘Ze zeggen het. In ieder geval gaf hij haar veel geld.’
Altijd dezelfde algemeenheden.
Eigenlijk had ik natuurlijk graag wat meer gehoord over het liaison van Marguerite met Armand.
Op een dag kwam ik een van die mannen tegen die zich voortdurend in het gezelschap bevinden van bekende vrouwen.
‘Hebt u Marguerite Gautier gekend?’
Het antwoord was het bekende ‘heel goed’.
‘Wat voor iemand was zij?’
‘Mooi en lief. Haar dood heeft me veel verdriet gedaan.’
‘Had zij niet een minnaar die Armand Duval heet?’
‘Een grote blonde kerel?’
‘Ja.’
‘Dat klopt.’
‘Wat voor iemand was die Armand?’
‘Iemand die het weinige dat hij bezat er met haar heeft doorgedraaid, dacht ik, en die haar daarna moest laten gaan. Ze zeggen dat hij er helemaal kapot van was.’
‘En zij?’
‘Ze zeggen wel dat ze heel veel van hem hield, maar ja, zoals dat gaat met de liefde van die meisjes. Je moet niet meer van ze vragen dan ze kunnen geven.’
‘Wat is er van die Armand geworden?’
‘Geen idee. We kenden hem nauwelijks. Hij is zes of zeven maanden met Marguerite geweest, maar buiten de stad. Toen zij terugkwam, is hij vertrokken.’
‘En u hebt hem daarna nooit meer gezien?’
‘Nee.’
Ik had Armand ook niet meer gezien. Ik was me uiteindelijk gaan afvragen of hij, toen hij bij me was, door de nieuwheid van Marguerites dood zijn oude liefde, en daardoor ook zijn verdriet, niet wat had overdreven. Ik dacht dat hij misschien het dode meisje al was vergeten, en daarmee ook de belofte mij nog eens te komen opzoeken. Bij iemand anders was dat misschien het geval geweest, maar de wanhoop van Armand had zo oprecht geleken, en, van het ene uiterste in het andere, begon ik te denken dat het verdriet misschien was omgeslagen in een ziekte en dat ik niets van hem had gehoord omdat hij ziek was, of misschien wel dood.
Ik interesseerde me, of ik dat nu wilde of niet, sterk voor die jongeman. Misschien was die belangstelling gemengd met egoïsme. Misschien had ik onder zijn verdriet een glimp opgevangen van een aandoenlijk verhaal. Maar misschien vloeide mijn bezorgdheid om Armand ook voort uit mijn verlangen om hem beter te leren kennen.
Omdat die meneer Duval niet naar mij kwam, besloot ik naar hem toe te gaan. Een voorwendsel was niet moeilijk te vinden. Maar jammer genoeg kende ik zijn adres niet en onder degenen die ik naar hem had gevraagd was niemand die wist waar hij woonde.

Ik ging naar de rue d’Antin. Marguerites portier wist misschien waar Armand woonde. De portier was nieuw. Hij wist het net zo min als ik. Ik vroeg toen naar het kerkhof waar mevrouw Gautier begraven was. Dat was het kerkhof van Montmartre.

[Verder lezen]

zondag 9 juni 2019

9. Dat meisje was een engel

Ik had Armand graag willen ondervragen over Marguerite, want de opdracht in het boekje, zijn reis, zijn begeerte om het in zijn bezit te krijgen, prikkelden mijn nieuwsgierigheid. Maar ik was bang dat mijn bezoeker, als ik hem ging ondervragen, zou denken dat ik zijn geld alleen had geweigerd om zo het recht te krijgen me met zijn zaken te bemoeien.
Het leek wel of hij mijn nieuwsgierigheid had geraden, want hij zei:
‘Hebt u het boekje gelezen?’
‘Ja alles.’
‘Wat dacht u van de regels die ik erin heb geschreven?’
‘Ik begreep dadelijk dat in uw ogen het arme meisje dat u dit boek had gegeven niet zo maar de eerste de beste was, want ik kon in die regels niet een banaal complimentje zien.’
‘Dat klopt meneer. Dat meisje was een engel. Hier,’ zei hij, ‘lees deze brief.’
En hij gaf me een stuk papier dat heel wat keren leek te zijn gelezen.
Ik vouwde het open, en ik las dit:

Lieve Armand, ik heb je brief ontvangen, je bent lief geweest en ik dank god daarvoor. Ja, mijn vriend, ik ben ziek, die ziekte van mij is er een waar je niet aan kunt ontsnappen. Maar het feit dat je nog steeds om me geeft maakt het allemaal veel minder erg. Ik zal ongetwijfeld niet meer zo lang leven dat ik nog de hand zal drukken die de lieve brief heeft geschreven die ik zo-even heb ontvangen en die me zeker zou genezen als ik nog te genezen was. Ik zal je niet meer zien, want ik ben dicht bij de dood en we zijn honderden kilometers van elkaar verwijderd. Arme vriend, je Marguerite van vroeger is erg veranderd, en zoals ze nu is, is het misschien maar beter dat je haar nooit meer ziet. Je vraagt me of ik je vergeef. Met heel mijn hart, mijn vriend, want ik weet dat het kwaad dat je me hebt gedaan niets anders was dan een test van je liefde voor mij.
Ik moet nu al een maand het bed houden en je respect is zo belangrijk voor me dat ik een dagboek van mijn leven bijhoud vanaf het moment dat we uit elkaar zijn gegaan tot het moment waarop ik de kracht niet meer heb om te schrijven.
Als je belangstelling voor mij echt is, Armand, ga dan als je terugkomt naar Julie Deprat. Je zult daar de reden vinden en het excuus voor wat er tussen ons is gebeurd. Julie zorgt goed voor me, we praten samen vaak over je. Ze was bij me toen jouw brief arriveerde, we hebben gehuild toen we hem lazen.
Voor het geval dat ik niets meer van je hoor, heb ik haar gevraagd je mijn dagboek te geven bij je terugkomst in Frankrijk. Denk niet dat je me dankbaar moet zijn. Mijn dagboek stelt me in staat dagelijks terug te denken aan de enige momenten in mijn leven dat ik gelukkig was en dat doet me goed. Als jij het leest zul je er een excuus voor het verleden in vinden, voor mijzelf is het een voortdurende troost.
Ik zou je graag iets nalaten dat me altijd aan jou doet denken, maar hier is op alles beslag gelegd, niets is nog van mij. Snap je, mijn vriend? Ik ga sterven en vanuit mijn slaapkamer hoor ik in de salon de voetstappen van de bewaker die mijn schuldeisers daar hebben neergezet zodat niemand iets meeneemt, en zodat ik niets overhoud in het geval dat ik niet doodga. Ik hoop dat ze wachten tot het einde voor ze beginnen met de verkoop.
O, wat zijn de mensen hard! Of nee, ik vergis me, wat is god rechtvaardig en onbuigzaam.
Nou ja, lieve vriend, je zult naar de veiling komen van mijn spullen, en je zult er iets kopen, want als ik maar de kleinste kleinigheid voor je opzij zou leggen zouden ze je, als ze er achter komen, kunnen beschuldigen van ontvreemding.
Wat droevig is het leven dat ik verlaat!
Wat zou ik dankbaar zijn als ik je nog mocht terugzien voordat ik sterf. Maar nee, dit zal naar alle waarschijnlijkheid het vaarwel zijn. Vergeef me als ik je niet meer schrijf dan dit, maar de artsen die zeggen dat ze me zullen genezen, putten me uit met aderlatingen, en mijn hand kan niet meer schrijven.

Marguerite Gautier


De laatste woorden waren inderdaad nauwelijks leesbaar.
Ik gaf de brief terug aan Armand die hem ongetwijfeld met zijn geestesoog had meegelezen, want terwijl hij hem aannam, zei hij:
‘Wie zou ooit geloven dat deze brief is geschreven door een lichte vrouw!’ En helemaal ontroerd door zijn herinneringen bekeek hij enige tijd het handschrift en bracht de brief uiteindelijk naar zijn lippen.
‘En als ik bedenk,’ ging hij verder, ‘dat ze is gestorven zonder dat ik haar nog heb mogen zien en dat ik haar nooit meer zal terugzien; als ik bedenk dat ze me liever is geweest dan een zuster, hoe kan ik mezelf dan ooit vergeven dat ik haar zo heb laten sterven! Dood is ze, dood! Terwijl ze dacht aan mij, terwijl ze me schreef, terwijl ze mijn naam zei, arme lieve Marguerite!’
En Armand liet zijn tranen de vrije loop en gaf me zijn hand en zei:
‘Ze zouden me aardig kinderachtig vinden, de mensen, als ze me zo zagen lamenteren, maar dat is omdat ze niet weten wat ik deze vrouw heb laten lijden, hoe wreed ik was. Hoe lief ze was en hoe berustend. Ik dacht dat het aan mij was om haar te vergeven, maar nu is het zover gekomen dat ik het gevoel heb dat ik haar vergiffenis niet waard ben. Ik zou tien jaar van mijn leven geven om een uur huilend aan haar voeten te mogen zitten.'
Het is altijd moeilijk iemand te troosten om een verdriet dat men niet kent, maar toch voelde ik me overstelpt door sympathie voor deze jonge man. Hij had me met zoveel oprechtheid deelgenoot gemaakt van zijn verdriet dat ik meende dat wat ik zei hem niet onverschillig zou laten. Ik zei: 'Hebt u geen ouders? Geen vrienden? Houd hoop. Doe een beroep op ze. Ze zullen u troosten. Want ik, ik kan u helaas alleen maar beklagen.’

‘Ik snap het,’ zei hij terwijl hij opstond en met grote passen door het vertrek begon te ijsberen. ‘Ik verveel u. Neem me niet kwalijk. Ik had moeten begrijpen dat mijn verdriet u niet aangaat, en dat ik u lastig val met iets dat voor u natuurlijk niet interessant is.’
‘Nee, nee, u begrijpt mij verkeerd. Ik sta helemaal tot uw beschikking. Het is alleen dat ik het betreur dat ik maar zo weinig kan doen om u te troosten. Als u iets hebt aan het gezelschap van mij en mijn vriendenkring, als u mij nodig hebt voor wat dan ook, weet dan dat ik heel blij zou zijn om u van dienst te zijn.’
‘Pardon,’ zei hij. ‘Pardon, mijn verdriet maakt me overgevoelig. Geef me nog een paar minuten, laat me even mijn tranen wegvegen, zodat de straatjochies me niet aankijken als een grote jongen die nog huilt. U hebt me toen u me dit boekje gaf heel gelukkig gemaakt. Ik weet niet hoe ik onder woorden moet brengen wat ik u schuldig ben.’
‘Door me iets van uw vriendschap te schenken,’ zei ik, ‘en door me te vertellen wat de oorzaak is van uw verdriet. Het kan een troost zijn om te vertellen waarover je verdriet hebt.’
‘U hebt gelijk. Maar vandaag kan ik alleen maar huilen, en ik zou alleen maar onsamenhangende dingen zeggen. Op een dag zal ik u deelgenoot maken van deze geschiedenis en dan zult u begrijpen waarom ik zo treur om de dood van dit arme meisje. En nu,’ voegde hij daar aan toe, terwijl hij in de spiegel keek en zich voor de laatste keer in de ogen wreef, ‘zeg me alstublieft dat u mij niet een onhandige kluns vindt en sta me toe dat ik u later nog een keer opzoek.’
Hij zag er zo aardig, zo vriendelijk uit, dat ik hem bijna had omhelsd.
Wat hem betreft, zijn blik werd opnieuw versluierd door tranen. Hij zag dat ik het merkte, en hij keek weg van me.
‘Nou,’ zei ik, ‘sterkte!’
‘Tot ziens,’ zei hij.
En met een bovenmenselijke poging om niet in snikken uit te barsten, vluchtte hij eerder dan hij vertrok.

Ik schoof de vitrage opzij en ik zag hem in een open rijtuig stappen dat bij de deur op hem wachtte. Maar hij zat nog niet of hij smolt weg in tranen en verborg zijn gezicht in zijn zakdoek.


[Verder lezen]

zaterdag 8 juni 2019

8. Armand Duval

Twee dagen later was de veiling achter de rug. Ze had honderdvijftigduizend franc opgeleverd. De schuldeisers hadden twee derde van dat bedrag onderling verdeeld, en de familie, die bestond uit een zuster en een klein neefje, had de rest geërfd. De zus zette grote ogen op toen de zaakwaarnemer haar schreef dat ze de erfgename was van vijftigduizend franc. Ze had haar zuster zes of zeven jaar niet gezien, want die was op een dag verdwenen en noch via haarzelf noch via anderen wist ze ook maar het geringste over haar leven sinds haar verdwijning. De zus was dus halsoverkop naar Parijs gereisd en Marguerites kennissen waren hoogst verbaasd toen ze zagen dat haar enige erfgename een struise en knappe boerendochter was, die tot dat moment nooit buiten haar dorp was geweest. Ze was plotseling rijk geworden, zonder dat ze zelfs maar wist uit welke bron deze rijkdom afkomstig was. Ik hoorde later dat ze naar huis was teruggekeerd, heel verdrietig over de dood van haar zuster, maar getroost door de wetenschap dat ze het geld had weten te beleggen tegen viereneenhalf procent rente.
Al deze roddels deden een tijdlang de ronde in Parijs - dat tenslotte de moeder is van het schandaal - maar ze begonnen allengs in het vergeetboek te raken en ik was zelf mijn rol bij de gebeurtenissen al bijna vergeten toen ik door een incident opnieuw werd geconfronteerd met Marguerite en op de hoogte raakte van details over haar leven die zo aandoenlijk zijn dat ik zin kreeg om haar geschiedenis op te schrijven – wat ik nu dus doe.
Het appartement stond, nadat het meubilair was verkocht, drie of vier dagen leeg, toen er op een ochtend bij mij werd aangebeld. Mijn bediende – of om precies te zijn mijn portier die tevens de rol van huisknecht vervulde – deed open en bracht me een visitekaartje. Hij zei me dat de heer die het had afgegeven mij wenste te spreken.
Ik wierp een blik op het kaartje en ik las de naam Armand Duval.
Waar had ik die naam eerder gezien? Ik herinnerde me de eerste bladzijde van de Manon Lescaut. Wat kon de man die dit boek aan Marguerite cadeau had gedaan van mij willen? Ik zei mijn bediende hem onmiddellijk binnen te laten.
De man die binnenkwam was lang, blond, bleek, en gekleed in een reiskostuum dat hij al een paar dagen aan het lijf leek te hebben, en dat hij zelfs niet leek te hebben geborsteld sinds hij in Parijs was aangekomen, want het was bedekt met stof.
Deze meneer Duval was zeer geëmotioneerd en hij deed geen enkele poging om zijn geëmotioneerdheid te verbergen. Met tranen in zijn ogen en een bevende stem zei hij: ‘Meneer, neemt u mij alstublieft mijn bezoek en mijn kleding niet kwalijk. Jonge mensen nemen, hoop ik, niet zo snel aanstoot aan elkaar, en ik wilde u zo graag vandaag nog zien dat ik mezelf niet de tijd gunde om naar het adres te gaan waar mijn bagage heen is gebracht. Ik ben halsoverkop hierheen gekomen, omdat ik bang was ik dat ik u ondanks het vroege uur niet thuis zou treffen.’
Ik nodigde meneer Duval uit om bij de kachel te gaan zitten. Hij deed dat en haalde een zakdoek tevoorschijn waarachter hij een ogenblik zijn gezicht verborg.
‘U begrijpt waarschijnlijk niet, meneer’ hernam hij, met een droeve zucht, ‘wat u op dit uur aan moet met deze onverwachte bezoeker, zo slordig gekleed en nog in tranen ook. Ik kom u een gunst vragen, een grote gunst.’
‘Zegt u het maar, ik ben een en al oor.’
‘U was aanwezig bij de veiling van Marguerite Gautier?’
Bij het noemen van die naam werd de emotie, die de jonge man tot dat moment had weten te bedwingen hem even te machtig en hij bracht zijn hand naar zijn ogen. ‘Ik moet wel een idioot lijken,’ zei hij. ‘Neemt u mij alstublieft niet kwalijk. Ik vergeet dit nooit, dat u zo geduldig naar mij luistert.’
‘Meneer,’ antwoordde ik, ‘als ik daarmee uw verdriet een beetje kan wegnemen, vertelt u mij dan gauw waarmee ik u van dienst kan zijn. Het zal me een genoegen zijn als ik u kan helpen.’
Hij zei: ‘Klopt het dat u iets hebt gekocht op Marguerites veiling?’
‘Ja meneer, een boekje.’
‘Manon Lescaut?’
‘ Precies.’
‘Bent u nog in het bezit van dat boekje?’
‘Het ligt in mijn slaapkamer.’
Er leek bij dit nieuws een zware last van Armand Duval af te vallen. Hij bedankt mij uitbundig, alsof ik door het boekje nog in mijn bezit te hebben al was begonnen hem van dienst te zijn.
Hij keek naar de opdracht op de eerste bladzijde en hij bladerde het door. ‘Ja, dat is het,’ zei hij. Er vielen twee grote tranen op de bladzijden. ‘Ben u erg op dit boekje gesteld, meneer?’ Hij keek me aan en deed geen moeite meer om te verbergen dat hij gehuild had en dat het huilen hem nog steeds nader stonden dan het lachen.
‘Waarom vraagt u dat?’
‘Omdat ik u wil vragen het aan mij af te staan.’
‘Neemt u mij alstublieft mijn nieuwsgierigheid niet kwalijk,’ zei ik, ‘maar u bent dus de man die het aan Marguerite Gautier hebt gegeven?’
Hij knikte.
‘Dan is dit boekje uw eigendom, neemt u het alstublieft, ik ben blij dat ik het u terug kan geven.’
‘Maar het minste is toch wel dat ik u de prijs vergoed die u ervoor hebt betaald,’ zei Duval verlegen.
‘Ik wil het u graag cadeau doen. De prijs voor een los deeltje op zo’n veiling stelt nauwelijks iets voor. Ik weet niet eens meer hoeveel ik ervoor heb betaald.’
‘Het heeft u honderd franc gekost.’
‘Dat is waar ook,’ zei ik, op mijn beurt in verlegenheid gebracht. ‘Hoe weet u dat?’
‘Niets bijzonders. Ik hoopte op tijd in Parijs te zijn voor Marguerites veiling, maar ik ben pas vanmorgen gearriveerd. Dit was iets dat van haar was geweest en dat ik absoluut wilde hebben, en ik ging naar de veilingmeester om inzage te vragen in de lijst van geveilde artikelen en de namen van de kopers. Ik zag dat het boekje was gekocht door u en ik besloot u te vragen het aan mij af te staan, ook al deed de prijs die u hebt betaald mij vrezen dat u er zelf een of andere herinnering aan koestert.’
Het leek wel duidelijk dat Armand bang was dat ik Marguerite had gekend op dezelfde manier als hij. Ik haastte me hem gerust te stellen.
‘Ik kende mevrouw Gautier alleen van gezicht,’ zei ik. ‘Ik was getroffen door haar dood, zoals een jonge man nu eenmaal geraakt wordt door de dood van een lieftallige jonge vrouw. Ik wilde iets kopen op haar veiling en ik beet me vast in dat boekje, ik weet zelf niet waarom, om het genoegen om op te bieden tegen een meneer die er ook zijn zinnen op had gezet en die me leek te willen overtroeven. Ik zeg het nog een keer, meneer, dit boekje is voor u. Neemt u het alstublieft aan. Ik zou niet willen dat het in uw bezit kwam, zoals het via een veilingmeester in mijn bezit kwam. Ik zou het overigens wel op prijs stellen als er uit deze kennismaking een langduriger contact en een nauwere band tussen ons zou voortkomen.’
‘Dat is goed, meneer,’ zei Armand, en hij schudde me de hand. ‘Ik neem uw voorstel aan, en ik zal u mijn leven lang dankbaar zijn.’


[Verder lezen]

vrijdag 7 juni 2019

7. Nederigheid



Omdat ik bang was dat ik me nog een keer zou vastbijten in iets wat misschien leuk was voor mijn gevoel van eigenwaarde, maar niet voor mijn portemonnee, vertrok ik nadat ik mijn gegevens had laten noteren en het boekje opzij had laten leggen. Ik had waarschijnlijk het nodige te denken gegeven aan degenen die getuige waren geweest en zich nu afvroegen waarom ik honderd franc had betaald voor een boekje dat ik overal had kunnen kopen voor tien of hoogstens vijftien franc.
Een uur later liet ik mijn aankoop afhalen.
Op de eerste pagina was, met de pen en in een sierlijk handschrift, een opdracht geschreven van de schenker van het boekje[1]:

Manon voor Marguerite,
Nederigheid.

De ondertekening was: Armand Duval.
Wat betekende dat woord ‘nederigheid’?
Meende deze Armand Duval dat Manon erkende dat Marguerite haar overtrof in losbandigheid of in gevoel? De tweede mogelijkheid was het waarschijnlijkst, want de andere was van een impertinentie die Marguerite, hoe ze ook over zichzelf dacht, niet zou hebben getolereerd.
Ik ging opnieuw uit, en ik dacht niet meer aan het boekje tot die avond, toen ik naar bed ging.
Manon Lescaut is een roerend verhaal. Ik ken het goed, maar als ik het boekje in handen heb kan ik toch niet laten voor de honderdste keer mee te leven met de avonturen van de heldin. Het is een verhaal dat zo levensecht is dat het wel lijkt of ik haar zelf heb gekend. De vergelijking die zich - uiteraard rekening houdend met de gewijzigde omstandigheden - laat maken tussen haar en Marguerite gaf nog een extra dimensie aan het verhaal, en als ik oorspronkelijk alleen vergevensgezind was jegens het arme meisje uit wier nalatenschap ik dit boekje had verworven, voelde ik nu ook medelijden, zelfs liefde. Manon was gestorven in een woestijn, dat is waar, maar in ieder geval in de armen van de man die ze met heel haar hart liefhad, en die, toen ze gestorven was, haar een graf dolf, het besprenkelde met zijn tranen, en die met haar zijn hart begroef; terwijl Marguerite, die net als Manon een zondares was en die wie weet ook tot inkeer was gekomen, gestorven was te midden van haar overdadige luxe, in het bed van haar verleden maar ook in een emotionele woestijn, droger en uitgestrekter, genadelozer, dan de woestijn waarin Manon begraven was.
Want aan het bed van Marguerite had, zoals ik vernam van vrienden die op de hoogte waren van de omstandigheden, niemand gezeten om haar te troosten tijdens de twee maanden van haar langzame en smartelijke doodstrijd.
Van Manon en Marguerite dwaalden mijn gedachten naar de meisjes die ik zelf kende en van wie ik zag dat ze zingend op weg waren naar bijna net zo’n dood. Arme stakkers. Het is misschien verkeerd ze lief te hebben, maar men zou tenminste medelijden met ze moeten hebben. Je hebt medelijden met een blinde die nooit het daglicht heeft aanschouwd, met een dove die nooit het klinken van de natuur heeft gehoord, een stomme die nooit heeft kunnen uitspreken wat zijn hart beroert, en uit een valse schaamte wil je geen medelijden hebben met die blindheid en die doofheid van het hart, met dat zwijgen van het geweten waardoor deze meisjes ongewild niet in staat zijn het goede te zien, de stem van god te horen en de zuivere taal te spreken van liefde en geloof.

[Verder lezen]



[1] Het boekje is een achttiende-eeuwse roman van de Abbé Prevost: het verhaal van de tragische liefde van Manon Lescaut en de Chevalier Des Grieux. De roman is ook later in deze roman een motief, en zou een bron van inspiratie zijn geweest voor Dumas.




donderdag 6 juni 2019

6. Rue d'Antin

Op de zestiende begaf ik me om één uur naar de rue d’Antin. Vanaf de ingang hoorde je het geroep van de veilingmeesters. Het appartement was vol nieuwsgierigen.
Alle sterren aan het firmament van het chique kwaad waren aanwezig, heimelijk begluurd door een paar mondaine dames die zich nog een keer bediend hadden van het voorwendsel van de verkoop om van dichtbij een blik te werpen op vrouwen met wie zij nooit de gelegenheid hadden gehad in contact te komen en op wier gemakkelijke genoegens zij misschien wel jaloers waren.
De hertogin van F… stond schouder aan schouder met mevrouw A…, een van de treurigste voorbeelden van onze hedendaagse courtisanes; de markiezin van T… stond te twijfelen of ze een meubel zou kopen waarop ook een bod was gedaan door mevrouw D… , de elegantste en beroemdste overspelige vrouw van onze tijd; de hertog van Y… die Madrid verlaat om zich te ruïneren in Parijs, Parijs om zich te ruïneren in Madrid en wiens uitgaven aan het eind van het liedje nog steeds minder zijn dan zijn inkomsten, staat te praten met mevrouw M…, een van onze geestige vertelsters, die best bereid is van tijd tot tijd op te schrijven wat ze vertelt, en te signeren wat ze schrijft. Hij wisselt veelbetekenende blikken met mevrouw de N…, die mooie wandelaarster van de Champs-Elysées, bijna altijd in rose of in blauw gekleed, en die voor haar koets twee zwarte paarden heeft die Tony[1] haar heeft verkocht voor tienduizend franc – en die ze hem nog heeft betaald ook. En niet te vergeten mevrouw R…, die met haar talent alleen twee keer zoveel verdient als een mondaine dame kan meebrengen als haar bruidsschat, en drie keer zoveel als anderen verdienen met hun liefde. Ze was ondanks de kou langsgekomen om even wat inkopen te doen, en zij was het niet die de minste opzien baarde.
Ik zou nog heel wat initialen kunnen opnoemen die zich, bien étonnés de se trouver ensemble,[2] in deze salon bevonden, maar ik ben bang dat ik mijn lezers zou vervelen. Laat ik alleen zeggen dat iedereen in een waanzinnig goed humeur was, en dat veel van de aanwezigen de overledene hadden gekend en zich dat niet schenen te herinneren.
Er werd hard gelachen. De veilingmeesters schreeuwden zich de longen uit het lijf; de kooplui die in de banken waren geschoven voor de veilingtafels maanden vergeefs tot stilte om rustig zaken te kunnen doen. Nooit zag je een bijeenkomst van zoveel uiteenlopende typen, nooit was een gezelschap luidruchtiger.
Ik glipte onopvallend door deze drukte, die droevig stemde als men bedacht dat vlakbij de kamer was waar de arme stakker van wie de meubels werden verkocht om de schulden te betalen haar laatste adem had uitgeblazen. Ik was eerder gekomen om te kijken dan om te kopen, en keek naar de figuren van de leveranciers die de verkoop hadden georganiseerd en wier gezichten oplichtten iedere keer als een artikel verkocht werd voor een prijs die hoger was dan ze hadden verwacht. Fatsoenlijke lieden, die hadden gespeculeerd op de prostitutie van deze vrouw en die winsten hadden gemaakt van honderd procent, die haar met gezegelde papieren hadden achtervolgd in de laatste momenten van haar leven en die na haar dood de vruchten kwamen plukken van hun respectabele berekeningen en het interest van hun beschamende kredieten. De ouden hadden één god voor kooplui en voor dieven, wat hadden ze het bij het rechte eind!
Jurken, sjaals, juwelen, ze werden in een ongelofelijk tempo verkocht. Er was niets bij waar ik iets aan had, en ik bleef wachten.
Plotseling hoorde ik roepen:
‘Een boekje, fraai gebonden, goud op snee, getiteld Manon Lescaut. Er is iets geschreven op de eerste bladzijde. Tien franc.’
‘Twaalf,’ zei een stem na een lange stilte.
‘Vijftien,’ zei ik.
Waarom? Geen idee. Ongetwijfeld voor dat ‘er is iets geschreven’.
‘Vijftien,’ herhaalde de veilingmeester.
‘Dertig,’ zei de eerste gegadigde, op een toon die leek bedoeld om iemand die meer wilde bieden de pas af te snijden.
Dat werd een strijd.
‘Vijfendertig,’ riep ik op dezelfde toon.
‘Veertig.’
‘Vijftig.’
‘Zestig.’
‘Honderd.’
Als ik indruk had willen maken, was me dat perfect gelukt, want plotseling was de stilte om te snijden en het veilingpubliek keek me aan, nieuwsgierig wie die meneer was die zo vastbesloten was dat boekje in zijn bezit te krijgen.
Blijkbaar had de toon waarop ik mijn laatste bod had uitgebracht mijn tegenstander overtuigd. Hij staakte de strijd, die me niet meer had opgeleverd dan een boekje, dat ik had gekocht voor tien keer de waarde, en zei hoffelijk, zij het nogal laat:
‘Ik geef het op meneer.’
Toen er verder niemand meer iets zei, was het boekje van mij.


[Verder lezen]



[1] Een paardenhandelaar in het Parijs van die tijd.

[2] 'Verbaasd zich in elkaars gezelschap te bevinden.' Dumas vindt het leuk nu en dan met zijn eruditie te pronken. Even verderop zinspeelt hij op de Romeinse god Mercurius.

woensdag 5 juni 2019

5. Bagnères

Ik wist bovendien, net als anderen die in Parijs in bepaalde milieus verkeerden, dat Marguerite de maîtresse was geweest van een aantal van de meest elegante jongelui en het feit dat ze dat hardop zei, en dat de jongelui zelf er ook prat op gingen was een bewijs dat minnaars en maîtresse niets over elkaar te klagen hadden.
Toch leefde ze, zei men, sinds drie jaar, sinds een reis naar Bagnères[1], alleen nog maar met een buitenlandse hertog[2], een oude man die enorm rijk was en die had geprobeerd haar zo veel mogelijk los te maken van haar vorige leven, iets wat ze zich overigens, naar het zich liet aanzien, zonder protesten liet aanleunen.
Dit is wat ik hierover had gehoord.
In de lente van 1842 was Marguerite er niet goed aan toe. Ze was zo zwak dat haar artsen haar adviseerden een kuuroord te bezoeken. Ze was vertrokken naar Bagnères. Daar bevond zich onder de patiënten de dochter van deze hertog, die niet alleen leed aan dezelfde ziekte als zij, maar die ook erg op Marguerite leek, zelfs dermate dat men ze voor zusjes zou houden. Het enige verschil was dat de jonge hertogin in het derde stadium van tering verkeerde, en dat ze een paar dagen nadat Marguerite arriveerde kwam te overlijden.
De hertog bleef in Bagnères, zoals een mens blijft talmen op de bodem waar een deel van zijn hart is begraven, en op een ochtend zag hij Marguerite in de bocht van een laan. Het leek hem of hij de schaduw van zijn dochter voorbij zag komen. Hij liep op haar af en pakte haar handen, hij omhelsde haar in tranen en hij smeekte haar, zonder dat hij wist wie ze was, om haar te mogen zien, en in haar het evenbeeld van zijn dode dochter te mogen beminnen. Marguerite, die alleen met haar kamermeisje in Bagnères was, en die natuurlijk niet bang hoefde zijn zich te compromitteren, stond de hertog toe wat hij van haar verlangde.
Er bevonden zich in Bagnères mensen die Marguerite kenden en die de hertog zonder omhaal op de hoogte stelden van de ware status van mevrouw Gautier. Dat was een slag voor de oude man, want daarmee werd er een grens gesteld aan de gelijkenis met zijn dochter. Maar het was te laat. De jonge vrouw was voor hem een hartsbehoefte geworden, ze was de enige reden waarom hij nog wilde leven.
Hij maakte haar geen enkel verwijt, hij had geen recht haar verwijten te maken, maar hij vroeg haar of ze zich in staat achtte zijn leven te veranderen. In ruil voor dit offer, mocht ze hem vragen wat ze maar wilde. Zij stemde in.
We moeten niet vergeten dat Marguerite, die een spontaan karakter had, in die tijd al ziek was. Ze had het idee dat haar verleden een van de belangrijkste oorzaken was van haar ziekte en uit een soort bijgeloof hoopte ze dat god haar zou toestaan haar gezondheid te hervinden en haar schoonheid te behouden in ruil voor haar berouw en haar bekering. En werkelijk, het bronwater, de wandelingen, de natuurlijke vermoeidheid en een goede nachtrust hadden haar bijna genezen toen de zomer ten einde liep.
De hertog vergezelde Marguerite naar Parijs, waar hij, net als in Bagnères, haar bleef bezoeken. Die relatie, waarvan noch de aanleiding noch de reden bekend waren, baarde veel opzien, want de hertog, die heel rijk was, toonde zich nu ook buitengewoon vrijgevig.
Men schreef de nauwe band tussen de oude hertog en de jonge vrouw toe aan de geilheid van de oude dag. Men dacht dit, men dacht dat, alles behalve wat er in feite aan de hand was. De hertog was een echte vaderfiguur: zijn gevoelens hadden een oorzaak die zo zuiver was dat alle behoeften anders dan die van zijn hart op incest zouden hebben geleken. Hij had haar nooit iets gezegd dat hij niet ook tegen zijn dochter had kunnen zeggen.
Het is niet mijn bedoeling mijn heldin mooier te maken dan ze was. Ik moet dus zeggen dat tijdens haar verblijf in Bagnères haar belofte aan de hertog niet moeilijk te houden was geweest, en ze had die dan ook gehouden. Maar toen ze eenmaal terug was in Parijs en alleen van tijd tot tijd door de hertog werd bezocht, had dit meisje, gewend aan een losbandig leven, aan bals, aan uitspattingen, het gevoel dat ze doodging van verveling, en de hete bries van de herinnering aan haar vroegere leven raakte niet alleen haar hoofd maar ook haar hart. Daar komt nog bij dat Marguerite mooier dan ooit van haar reis was teruggekomen, dat ze twintig jaar was, en dat haar ziekte sliep, maar niet echt was overwonnen en haar de koortsachtige verlangens inboezemde die bij longziekten horen.
De hertog had dus veel verdriet, de dag dat zijn vrienden, die voortdurend op de loer lagen om de jonge vrouw met wie hij omging te betrappen op een schandaal, hem kwamen vertellen én bewijzen, dat zij op een tijdstip dat ze had gezegd dat ze hem niet kon ontvangen, bezoekers ontving die vaak bij haar bleven tot de volgende ochtend.
Toen hij haar ondervroeg bekende Marguerite alles. Ze zei in alle oprechtheid dat hij haar beter uit zijn hoofd kon zetten, want ze voelde zich niet in staat zich aan hun afspraak te houden en ze wilde zich niet langer laten onderhouden door iemand die ze bedroog.
De hertog hield het acht dagen zonder haar uit, langer niet, en op dag acht kwam hij Marguerite smeken hem toch bij haar toe te laten. Hij beloofde haar te zullen accepteren zoals ze was, zolang hij haar maar mocht zien. Hij zwoer dat hij haar nooit een verwijt zou maken, ook al moest hij om haar sterven.
Dat is hoe de zaak er bij stond drie maanden nadat Marguerite was teruggekeerd in Parijs, dat wil zeggen in november of december 1842.


[Verder lezen]



[1] Bagnères de Bigorre in de Pyreneeën.

[2] Model schijnt te hebben gestaan De graaf van Stackelberg, ambassadeur van de tsaar in Wenen, maar woonachtig in Parijs.

dinsdag 4 juni 2019

4. De dame van de camelia's

De verkoop was gepland voor de zestiende. Tussen bezichtiging en verkoop was één dag gereserveerd voor de stoffeerders om bekleding, gordijnen enz. te verwijderen.
Ik was indertijd net terug van een reis, en het lijkt misschien vreemd dat in de stad die toch de hoofdstad is van de nieuwtjes niemand me over de dood van Marguerite Gautier had geïnformeerd, maar dat was niet zo. Marguerite was een mooie vrouw, maar hoezeer dit soort vrouwen bij hun leven ook zorgt voor beroering, hun dood baart weinig opzien. Het zijn zonnen die ondergaan zoals ze zijn opgekomen, zonder spektakel. Als ze jong sterven horen al haar minnaars dat tegelijkertijd, want in Parijs kennen alle minnaars van een meisje dat opgang maakt elkaar. Er worden wat herinneringen opgehaald en iedereen zet zijn leven voort zonder dat er maar een traan wordt gelaten. Als men tegenwoordig vijfentwintig is, zijn de tranen zo schaars dat ze niet zomaar gestort worden voor de eerste de beste. Zelfs ouders, die ervoor betalen om beweend te worden, krijgen de tranen uitgemeten naar de prijs die ze ervoor hebben neergeteld.
Wat mij betreft, mijn initialen waren nergens op het zilver van Marguerite te vinden, maar mijn instinctieve onwil om te veroordelen, mijn natuurlijke medeleven dat ik hiervoor al ter sprake bracht, waren er de oorzaak van dat ik langer bij haar dood bleef stilstaan dan ze misschien verdiende. Ik herinnerde me dat ik Marguerite vaak was tegengekomen op de Champs Elysées, waar ze strijk en zet iedere dag kwam, in een klein blauw rijtuig met twee fraaie bruine paarden. Ik had bij die gelegenheden opgemerkt dat ze een distinctie had zoals die maar weinig voorkomt bij dit slag meisjes, een distinctie die haar werkelijk exceptionele schoonheid nog meer allure gaf.
Als ze uitgaan zijn deze arme vrouwen altijd in het gezelschap van, ik weet niet, van iemand anders. Nooit een man, want niemand zal bereid zijn om zijn nachtelijke liefde publiek te maken, maar omdat ze er niet tegen kunnen alleen te zijn, nemen de meisjes ofwel een lotgenote mee die niet over de rijtuig beschikt, of een van die elegante dames op leeftijd met een elegantie die nergens op berust en tot wie je je probleemloos kunt wenden als je wat dan ook wilt weten over de dames die ze gezelschap bieden.
Marguerite deed het anders. Zij was als ze op de Champs Elysées kwam altijd alleen in haar rijtuig, zoveel mogelijk weggedoken, ’s winters gehuld in een grote sjaal, ’s zomers gekleed in een simpel jurkje. Ze zag bij haar uitje misschien heel wat mensen die ze kende, maar als ze al tegen mensen glimlachte dan deed ze dat zo discreet dat alleen zij dat opmerkten. Een glimlachje als van een hertogin.
Ze wandelde niet op de rotonde aan het begin van de Champs Elysées, zoals haar collega’s dat doen en ook toen al deden. Haar paarden brachten haar snel naar het Bois de Boulogne. Daar stapte ze uit, ze wandelde een uur, stapte dan weer in en liet zich in draf terug naar huis rijden.
Al die scènes waarvan ik een paar keer getuige was geweest, kwamen me weer voor de geest en ik betreurde de dood van die jonge vrouw zoals men de vernietiging van een kunstwerk betreurt.
En inderdaad een charmantere verschijning dan Marguerite bestond er niet. Ze was lang en bijna te slank, maar ze verstond in extreme mate de kunst die tekortkoming te maskeren door de manier waarop ze zich kleedde. De ruches van haar zijden japon waren overal zichtbaar onder haar sjaal waarvan de uiteinden de grond raakten. De dikke mof die haar handen verborg en die ze tegen haar borst drukte was zo bekwaam geplooid dat het oog, hoe veeleisend ook, niets te klagen had.
Haar hoofd was op een heel bijzondere, wonderbaarlijke manier aantrekkelijk. Het was klein maar heel verfijnd.[1] Stel u voor, een onbeschrijfelijk gracieus ovaal met onder wenkbrauwen die wel geschilderd leken zwarte ogen, met wimpers die als ze waren neergeslagen een schaduw wierpen op het rose van haar wangen; trek de lijn van een fijn neusje, recht, geestig, met neusgaten die een beetje waren opengesperd in een uitdrukking van zinnelijk verlangen; teken daaronder een welgevormd mondje, met lippen die soms even een glimp lieten zien van melkwitte tanden; en kleur de huid met het floers van perziken die nog door geen hand zijn aangeraakt, en daar hebt u het beeld van dat lieve hoofdje.
Het gitzwarte haar, met al dan niet natuurlijke krullen, viel met een scheiding links en rechts over haar voorhoofd en verdween naar achteren, waarbij een stukje van oortjes zichtbaar bleef waarin twee diamanten schitterden met een waarde van vier à vijf duizend franc per stuk.[2]
Ondanks het heftige leven dat ze leidde had het gezicht van Marguerite een meisjesachtige, bijna kinderlijke uitdrukking van onschuld – je kon het constateren, te begrijpen viel het niet.
Marguerite had een schitterend portret in pastel laten maken door Vidal.[3] Na haar dood heb ik dit portret een paar dagen in mijn bezit gehad en de gelijkenis was zo verbazingwekkend dat het me heeft geholpen haar te beschrijven met details die mijn geheugen misschien ontsnapt waren. Onder de details die ik in dit hoofdstuk ter sprake breng zijn er overigens een paar die me pas later ter kennis zijn gekomen, maar die ik hier al geef zodat ik er niet op hoef terug te komen als zo dadelijk de gebeurtenissen rond deze vrouw verteld worden.
Marguerite was aanwezig bij alle vernissages en ging iedere avond naar theatervoorstellingen of bals. Bij iedere première kon je haar zien met drie voorwerpen die nooit ontbraken en die altijd op de leuning van haar loge lagen: haar lorgnet, een zakje snoep en een boeket camelia’s. Vijfentwintig dagen per maand waren de camelia’s wit, vijf dagen waren ze rood; iedereen heeft het opgemerkt, het gebruikelijke theaterpubliek zowel als haar vrienden, maar niemand heeft ooit kunnen uitleggen hoe het daarmee zat, en ook ik vermeld het zonder het te kunnen uitleggen.
Niemand heeft Marguerite ooit met andere bloemen gezien dan camelia’s en bij mevrouw Barjon, haar bloemiste, noemde men haar dan ook de dame van de camelia’s, en deze naam is haar bijgebleven.


[Verder lezen]



[1] Dumas citeert De Musset: ‘Het leek of haar moeder het zo had gemaakt om het plezier van het zorgvuldig te maken. ‘

[2] Volgens mijn omrekentabel was een franc uit 1842 ongeveer twee euro waard. In de kosten van levensonderhoud overigens ongetwijfeld meer.


[3] Vincent Vidal, 1811-1887. Portrettist van de betere kringen.

56. Epiloog

‘Heb je het gelezen?’ zei Armand toen ik Julies manuscript uit had. ‘Als het allemaal echt zo is gegaan, mijn vriend,’ zei ik, ‘dan begrij...